Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:12286
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
973 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39515
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. van der Pol),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Eiser heeft op 18 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 17 juli 2022.
Bij besluit van 6 juni 2024 heeft de minister de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij bericht van 25 juni 2024 eiser verzocht binnen twee weken de rechtbank te informeren of de beslissing aanleiding is om het beroep in te trekken. Eiser heeft desgevraagd geen reactie gegeven op het alsnog genomen besluit.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
2. Op 6 juni 2024 heeft de minister alsnog een (afwijzend) besluit genomen op de aanvraag van eiser van 17 juli 2022. De rechtbank heeft eiser op 25 juni 2024 gevraagd te reageren op het besluit van de minister. In deze brief is vermeld dat het beroep ongegrond of niet-ontvankelijk kan worden verklaard als eiser niet binnen twee weken reageert. Eiser heeft niet binnen de gestelde termijn gereageerd.
3. Omdat er op 6 juli 2024 alsnog een besluit is genomen op de aanvraag van eiser is het beroep, voor zover het zich richt tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk.
4. De door eiser ingediende gronden bij zijn beroep treffen, voor zover ze gericht zijn tegen het besluit van 6 juli 2024, geen doel. Het beroep is om die reden ongegrond.
5. Eiser krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Niet in geschil is namelijk dat de minister niet tijdig op de asielaanvraag van eiser heeft beslist, dat eiser vervolgens een geldige ingebrekestelling heeft verstuurd en dat de minister pas na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit een besluit heeft genomen. De minister moet de proceskostenvergoeding betalen. Toegekend wordt € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 875,-, bij een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;- verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van 6 juni 2024;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.