Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:12242
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,170 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.26848
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 juli 2024 niet in behandeling genomen omdat Slowakije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser procesbelang?
4. De minister heeft in het bestreden besluit te kennen gegeven dat eiser door het COa (Centraal Orgaan opvang asielzoekers) als met onbekende bestemming (MOB) is geregistreerd. De rechtbank ziet zich daarom ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
4.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat dit slechts anders is als de vreemdeling laat weten dat hij contact onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat de vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. De nuancering van bovenstaande uitspraak leidt niet tot een ander oordeel omdat er geen recente verstrekte informatie is waaruit blijkt dat eiser nog contact heeft met gemachtigde.
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft te kennen gegeven dat hij, na meerdere pogingen te hebben ondernomen, geen contact meer kan leggen met eiser. Dit impliceert ook dat de gemachtigde van eiser niet weet wat de verblijfplaats van eiser is. Daaruit leidt de rechtbank af dat hij geen prijs meer stelt op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang heeft en zal zij het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Engberts, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ABRvS 30 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3988.
ABRvS 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.