Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:12232
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,020 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16960
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 1 augustus 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht vooraf, niet verschenen. Verschenen is de gemachtigde van verweerder.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Bij het bestreden besluit is een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is niet bestreden. Daarom dient ervan uit te worden gegaan dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en dat eiser het grondgebied van de Europese Unie, de EER en Zwitserland onmiddellijk moet verlaten.
2. In geschil is of verweerder ten onrechte een inreisverbod tegen eiser heeft uitgevaardigd.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht een inreisverbod heeft uitgevaardigd. De door eiser aangevoerde omstandigheid dat hij een Poolse vriendin heeft in Duitsland, met wie hij heeft samengewoond, heeft eiser niet onderbouwd. Bovendien rijmt deze stelling niet met eisers pogingen om uit te reizen naar het Verenigd Koninkrijk. De wens van eiser om zijn vader te bezoeken in Kroatië, maakt evenmin dat een inreisverbod in strijd komt met artikel 8 van het EVRM of dat anderszins sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een inreisverbod achterwege dient te blijven. Daarnaast is ook deze stelling is niet onderbouwd. Verweerder heeft daarom geen bijzondere omstandigheden aanwezig hoeven zien op grond van het inreisverbod achterwege moet blijven. Tot slot bestaat voor eiser de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag met het oog op het uitoefenen van het gezinsleven wanneer eiser in de toekomst (al dan niet langdurig) verblijf beoogt in een lidstaat. Indien hij daarvoor in aanmerking komt, kan het inreisverbod op verzoek, of ambtshalve worden opgeheven.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
Beoordeling op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.