Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:12194
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,257 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27835
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024
in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. De minister heeft op 11 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. De minister heeft de rechtbank op 10 juli 2024 van het voortduren van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
1.1.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.2.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 15 juli 2024 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting zal worden behandeld.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
2.1.
Het beroep is ongegrond. Het voortduren van de maatregel van bewaring is rechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 3 mei 2024 (in de zaak NL24.17003) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 30 april 2024).
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
4. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend aan de uitzetting werkt. Dat eiser een asielaanvraag ingediend heeft, mag hem niet tegengeworpen worden.
4.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds het sluiten van het vooronderzoek op 30 april 2024 in het eerste beroep van eiser meermalen heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten voor verkrijging van een laissez-passer. Dat was namelijk op 7 mei, 28 mei en 18 juni 2024. Daarnaast hebben er sindsdien twee vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, namelijk op 15 mei en 12 juni 2024.
De rechtbank merkt daarnaast op dat van eiser verwacht mag worden dat hij meewerkt aan zijn terugkeer nu zijn asielprocedure is afgerond. Daarmee kan hij zijn verblijf in vreemdelingenbewaring bekorten. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser actief en volledig meewerkt aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 16 mei 2024 blijkt immers dat eiser stelt niet terug te willen keren naar Algerije en dat hij daarom geen medewerking zal verlenen aan zijn terugkeer.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om, ambtshalve toetsend, te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de maatregel van bewaring in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Vruwink-Eertink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Dit is mogelijk op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
ECLI:NL:RBDHA:2024:6773.
Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.