Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-29
ECLI:NL:RBDHA:2024:12187
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,285 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28285
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998. Zijn nationaliteit is onbekend.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat zware grond 3d wellicht feitelijk juist is, maar dat deze grond
niet relevant is in het kader van een Dublinoverdracht.
4. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Verweerder kan bij de zware grond 3d volstaan met een toelichting waaruit volgt dat de grond feitelijk juist is, om daarmee het risico te onderbouwen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft de feitelijke juistheid van deze grond niet betwist. De rechtbank stelt vast dat verweerder de juistheid van de grond ook voldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft de zware grond 3d dan ook aan de maatregel ten grondslag kunnen leggen. Ook de overige, niet betwiste gronden zijn naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist. De lichte gronden zijn tevens voldoende toegelicht. De zware en lichte gronden zijn voldoende om de maatregel te dragen.
5. Eisers gemachtigde voert aan dat getwijfeld kan worden aan de
detentiegeschiktheid van eiser.
6. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat eiser op 12 juli 2024 is bezocht door een GGD-arts. Hoewel in de maatregel niet verder wordt ingegaan op diens beoordeling, leidt de rechtbank hieruit af dat eiser kennelijk niet detentieongeschikt is bevonden. Namens eiser is geen informatie overgelegd waaruit het tegendeel kan worden afgeleid. Uit de stukken en de behandeling ter zitting volgt wel dat eiser zeer moeizaam communiceert en een sterk verwarde indruk maakt, maar de rechtbank heeft geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de (psychische) zorgverlening in het detentiecentrum niet toereikend is om de maatregel daar op een verantwoorde wijze ten uitvoer te leggen. De rechtbank komt dan ook niet tot de conclusie dat verweerder van het opleggen van de maatregel had moeten afzien of deze elders ten uitvoer dient te leggen.
7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.3, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.3, vierde lid, van het Vb.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829