Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:1218
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
749 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.34756
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam verzoeker] , verzoeker
V-nummer: [V-nr.]
(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’ afgewezen.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak buiten zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan verzoeker meegedeeld dat hij de behandeling van het bezwaar niet in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft daarom een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. Het verzoek strekt ertoe te bepalen dat verzoeker gedurende de behandeling van het bezwaar niet wordt uitgezet en recht op opvang behoudt. De staatssecretaris heeft op 29 januari 2024 bericht dat hij zich niet verzet tegen de toewijzing van een voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.
4. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 875 (1 punt voor het indienen van het
verzoekschrift met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek toe;
treft de voorlopige voorziening dat uitzetting achterwege blijft en verzoeker recht op opvang heeft totdat op het bezwaar is beslist;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 875 (achthonderdvijfenzeventig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Algemene wet bestuursrecht.