Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:12054
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,256 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24665
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.K. van Middelkoop), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 21 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 april 2024 (in de zaak NL24.12643) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt rechtmatig was.
Deze maatregel duurt nog voort. Inmiddels is een lange termijn verstreken zonder dat door of namens eiser beroep is ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) toetst de rechtbank nu ambtshalve of deze maatregel nog voldoet aan de eisen die daaraan door het Unierecht worden gesteld.
De staatssecretaris heeft de rechtbank door middel van een kennisgeving van de voortduring van de maatregel in kennis gesteld en een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop een reactie gegeven.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 21 juni 2024 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. De rechtbank overweegt als volgt.
Het voortvarendheidsvereiste
2. De Staatssecretaris heeft op 28 maart 2024 een aanvraag om afgifte van een laissez passer (lp) doorgeleid naar de Marokkaanse autoriteiten. Deze aanvraag is in onderzoek genomen door de Marokkaanse autoriteiten en dit onderzoek loopt nog. De staatssecretaris rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 28 mei 2024. Dat de staatssecretaris per abuis eisers oude v-nummer bij voornoemde aanvraag heeft gevoegd maakt niet dat de staatssecretaris hiermee onzorgvuldig dan wel onvoldoende voortvarend heeft gehandeld, te meer omdat een aanvraag als deze meer informatie bevat dan alleen een v-nummer. De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift van 19 juni 2024 toegelicht dat een kopie van het paspoort van eiser en eisers vingerafdrukken meegezonden zijn. Daarnaast heeft de staatssecretaris toegelicht dat de landsverantwoordelijke op 25 april 2024 een gesprek heeft gehad met de vertegenwoordiger van het consulaat van Marokko. De zaak van eiser is besproken en de staatssecretaris heeft na dit gesprek de aanvraag om afgifte van een lp aangevuld met het huidige v-nummer van eiser en de situatie is nogmaals schriftelijk uitgelegd. De Marokkaanse autoriteiten hebben te kennen gegeven dat de aanvraag nog in onderzoek is. Verder heeft de staatssecretaris op 24 april 2024, 22 mei 2024 en 19 juni 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Eiser heeft meerdere keren te kennen gegeven niets te hebben ondernomen en dat hij niet terug zal keren naar Marokko. Op eiser rust de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. Gelet op voornoemde uitzettingshandelingen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris de uitzetting van eiser voldoende voortvarend ter hand neemt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Ambtshalve toetsing
3. Los van wat door eiser is aangevoerd, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens ook geen grond om ambtshalve tot het oordeel te komen dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
4. De rechtbank komt tot de conclusie dat de voortduring van de maatregel van bewaring van eiser nog steeds rechtmatig is. Hieruit vloeit voort dat er geen aanleiding is om een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 juni 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.