Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-08-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:12050
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,544 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28603
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] .
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: L.O. Augustinus).
Procesverloop
De minister heeft op 15 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de meest recente uitspraak van 7 juni 2024 (in de zaak NL24.21160) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (31 mei 2024).
3. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat zicht op uitzetting binnen afzienbare tijd ontbreekt. De minister rappelleert maandelijks over de laisser-passer (lp), maar daar blijft het bij. Voorts stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Volgens eiser heeft er, anders dan vermeld in het voortgangsrapport, op 7 juli 2024 (de rechtbank leest 9 juli 2024) geen vertrekgesprek plaatsgevonden en is er alleen op 12 juni 2024 een vertrekgesprek met hem gevoerd.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure heeft de minister tweemaal gerappelleerd op de lp-aanvraag en tweemaal een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Het gesprek op 12 juni 2024 is afgebroken omdat eiser bij die gelegenheid aangaf uitsluitend Pidgin Engels te spreken. Het gesprek op 9 juli 2024 is wel weer in het Engels gevoerd. Ter zitting gaf de gemachtigde van de minister aan dat er op 5 augustus 2024 weer een vertrekgesprek staat gepland. Ook is de Directie Internationale Aangelegenheden (DIA) gevraagd om de Nigeriaanse consul speciaal om aandacht voor eiser te vragen. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
5. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende duidelijk heeft gemotiveerd dat in het geval van eiser zicht op uitzetting naar Nigeria kan worden aangenomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat er in zijn algemeenheid ten aanzien van Nigeria nog steeds van ‘zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn’ kan worden uitgegaan. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Nu de Nigeriaanse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, indien de vreemdeling zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister aan eiser terecht geen lichter middel heeft opgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet wil terugkeren naar Nigeria en dat eiser dus niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.