Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:12044
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,271 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.24763
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. H. Palanciyan),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 4 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
Vervolgens heeft de staatssecretaris een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2000.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 18 april 2024 (in de zaak NL24.15196) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend handelt. Eiser zit sinds 4 april 2024 in bewaring en het is onduidelijk welke concrete uitzettingshandelingen door de staatssecretaris zijn verricht. Er is tot op heden geen laissez passer (lp) afgegeven door de Algerijnse autroiteiten en wat de stand van zaken is met betrekking tot de afgifte van een lp is niet inzichtelijk gemaakt door de staatssecretaris, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
5. Het zicht op uitzetting naar Algerije is in beginsel aanwezig. In het geval van eiser loopt het onderzoek bij de Algerijnse autoriteiten. De staatssecretaris rappelleert regelmatig bij deze autoriteiten in verband met de afgifte van een lp, laatstelijk op 18 juni 2024. Dat het onderzoek lang duurt, is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer de Algerijnse autoriteiten niet op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. De rechtbank merkt daarbij op dat de staatssecretaris voor wat betreft de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. Daarnaast heeft de staatsecretaris op 6 mei 2024 en 4 juni 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op eiser rust de plicht rust om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser hieraan in voldoende mate invulling heeft gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er zicht op uitzetting is en de staatssecretaris de uitzetting van eiser voldoende voortvarend ter hand neemt. De beroepsgronden slagen daarom niet.
Ambtshalve toetsing
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 juni 2024
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.