Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-31
ECLI:NL:RBDHA:2024:11989
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,538 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.28540
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus)
Procesverloop
De minister heeft op 10 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 juni 2024 (in de zaak NL24.24360) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 juni 2024.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hij voert hiertoe aan dat uit de stukken blijkt dat de consul gevraagd zou hebben om een schriftelijke bevestiging dat eiser op 3 juli 2024 niet naar de presentatie in persoon is geweest. Nu inmiddels twee weken zijn verstreken en de minister nog niet heeft gereageerd op het verzoek, loopt de verstrekking van de laissez passer (lp) onnodige vertraging op. Bovendien heeft de minister eiser ook niet gevraagd waarom hij niet heeft meegewerkt aan de presentatie. Nu de bewaring onnodig langer zal duren, kan niet meer gesteld worden dat deze dient ter fine van uitzetting en dient zij opgeheven te worden.
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend handelt. Uit het dossier blijkt dat de minister bij e-mail van 5 juli 2024 heeft voldaan aan het verzoek van de Algerijnse consul. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage dat de voortgang van de lp-aanvraag niet afhankelijk is van de toezending van deze bevestiging. Zoals daar aangegeven blijft de aanvraag in onderzoek en zal de consul zo spoedig mogelijk een antwoord verstrekken over de lp-aanvraag. De minister heeft op 10 juli 2024 hierover nog een keer bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister hier nog aan toegevoegd dat de Algerijnse consul heeft laten weten in dit specifieke geval te willen bekijken of er misschien zonder presentatie een lp kan worden verstrekt. Dit heeft men thans nog in beraad. Daarnaast zijn er op 26 juni 2024 en 22 juli 2024 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De M120 vermeldt dat eiser heeft geweigerd op 3 juli 2024 naar diplomatieke presentatie te gaan. Tijdens het gesprek van 22 juli 2024 heeft eiser aangegeven niet naar de presentatie te zijn gegaan omdat hij keelpijn had. Overigens is bekend dat eiser in het verleden gebruik heeft gemaakt van diverse aliassen (andere namen en geboortedata). Gelet op het voorgaande handelt de minister voldoende voortvarend.
5. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Nu de Algerijnse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, indien de vreemdeling zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.Y.B. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en Rechtbank Den Haag, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7807.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.