Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-06
ECLI:NL:RBDHA:2024:1189
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
869 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/172
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2024 in de zaak tussen
[verzoekster]
, uit [woonplaats], verzoekster
(gemachtigde: mr. M. de Boorder),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. L. Catakli).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot het besluit van het college van 20 november 2023. Dat besluit zag (onder meer) op de opschorting en beëindiging van verzoeksters bijstandsuitkering per 1 augustus 2023. Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college bij besluit van 17 januari 2024 een voorschot heeft toegekend van € 1.094,96 naar aanleiding van verzoeksters nieuwe aanvraag van 15 november 2023.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij een veroordeling tot het vergoeden van de proceskosten (1 punt) niet onredelijk vindt.
1.2.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. Verzoekster heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college verzoekster een voorschot heeft toegekend, waarmee het spoedeisend belang in deze procedure is komen te vervallen. Het college heeft het verzoek om proceskosten niet bestreden. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om het college te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 875,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
4. Het betaalde griffierecht van € 50,- wordt door de griffier teruggestort.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Tarief vanaf 1 januari 2024.
op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb