Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:1185
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,961 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.39695
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. S. Azzaoui).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 19 december 2023 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep samen met zaaknummer NL23.39696 op 12 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris. Eiser is niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet aanleiding voor de toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Is er ten onrechte een claimakkoord tot stand gekomen waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat is aangemerkt?
4. Eiser betoogt dat Duitsland ten onrechte als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat Duitsland het claimverzoek ten onrechte heeft geaccepteerd. De verantwoordelijkheidscriteria zijn niet correct vastgesteld, Spanje is verantwoordelijk voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hiertoe voert eiser het volgende aan.
In de eerste plaats heeft de staatssecretaris in het voornemen ten onrechte nagelaten om de wettelijke grondslag van het voornemen tot overdracht aan Duitsland te vermelden. Het claimverzoek is immers gedaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening, terwijl het claimakkoord tot stand is gekomen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b van de Dublinverordening. De autoriteiten van Duitsland hebben het claimverzoek ten onrechte geaccepteerd, nu de verantwoordelijkheidscriteria niet correct zijn vastgesteld. Eiser is namelijk via Spanje de EU ingereisd en staat ingeschreven op het adres van zijn broer in Spanje. Hier heeft eiser over verklaard tijdens het gehoor van 24 november 2023, deze informatie is ten onrechte niet betrokken in het claimverzoek van 30 oktober 2023 en de daaropvolgende acceptatie van de Duitse autoriteiten van 2 november 2023. Eiser betoogt dat deze gang van zaken in strijd is met artikel 5 van de Dublinverordening. Te meer nu uit de ID-staat van eiser blijkt dat hij bekend is in meerdere landen. Het is onzorgvuldig om een vreemdeling niet te horen voordat het claimverzoek wordt gelegd. Na het gehoor heeft de staatssecretaris nagelaten om Duitsland te berichten dat eiser staat ingeschreven in Spanje. Dit terwijl eiser op 11 december 2023 documenten heeft overlegd die zijn verklaringen onderbouwen. Deze brief met documenten is in zijn geheel niet meegenomen in de besluitvorming waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.
Wat vindt de rechtbank?
4.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de staatssecretaris zich terecht op het standpunt dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 12 november 2022 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft Duitsland daarom op 30 oktober 2023 verzocht om eiser terug te nemen. De staatssecretaris heeft op de zitting bevestigd dat het claimverzoek is gelegd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d van de Dublinverordening. De claim bij Duitsland is op deze grond gelegd vanwege de informatie die eiser voorafgaand aan het Dublingehoor bij de KMar heeft verstrekt. De rechtbank stelt vast dat het document van het gehoor bij de KMar niet in het digitale dossier is opgenomen. De staatssecretaris heeft toegelicht dat uit het verslag van de KMar van 23 oktober 2023 volgt dat eiser heeft verklaard dat hij in Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend, maar dat deze aanvraag door Duitsland is afgewezen. Het claimverzoek is daarom op 30 oktober 2023 gelegd op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening. De staatssecretaris heeft op de zitting eveneens bevestigd dat de claimgrond in het claimverzoek afwijkt van de motivering in het voornemen en het bestreden besluit waarin de staatssecretaris stelt dat het claimverzoek is gelegd op grond van artikel 18, eerste lid onder b van de Dublinverordening. Duitsland heeft de claimgrond vervolgens gecorrigeerd, waardoor er op 2 november 2023 een claimakkoord tot stand is gekomen op grond van artikel 18, eerste lid onder b van de Dublinverordening. Hieruit valt af te leiden dat de asielaanvraag van eiser in Duitsland – anders dan eiser bij de KMar heeft verklaard – niet door de Duitse autoriteiten is afgewezen, maar nog in behandeling is. De rechtbank volgt eiser weliswaar in zijn betoog dat de staatssecretaris in het voornemen en in het bestreden besluit tweemaal de verkeerde claimgrond noteert. De staatssecretaris heeft er echter terecht op gewezen dat de wijziging in de claimgrond niet betekent dat er geen rechtsgeldig claimakkoord tot stand is gekomen.
4.2.
Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat Duitsland ten onrechte het claimverzoek heeft aanvaard, omdat hij in Spanje de EU is binnen gereisd en volgens de verantwoordelijkheidscriteria uit de Dublinverordening dus zou moeten terugkeren naar Spanje. De rechtbank volgt namelijk het standpunt van de staatssecretaris dat er een rechtsgeldig claimakkoord tot stand is gekomen en overweegt daartoe dat eiser op 12 november 2022 een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend, dit is ook niet door eiser weersproken. De rechtbank verwijst verder naar het arrest H.R. van 2 april 2019 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 oktober 2019. Uit dit arrest en de uitleg van de Afdeling van dit arrest volgt dat wanneer sprake is van een terugnamesituatie de vreemdeling in de lidstaat waar hij een verzoek om internationale bescherming indient – na dit verzoek in een andere lidstaat ook te hebben ingediend – in beginsel geen beroep kan doen op een hoofdstuk III-criterium van de Dublinverordening. De lidstaat die verzoekt om terugname is niet verplicht om voorafgaand aan het claimverzoek op grond van de criteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening te bepalen of de lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek. Eiser heeft weliswaar in Spanje een asielaanvraag ingediend, maar dit doet niet af aan de later gedane asielaanvraag in Duitsland en het tot stand gekomen claimakkoord. Daarnaast benadrukt de rechtbank dat bij het claimverzoek ook de Eurodacresultaten zijn gevoegd waaruit volgt dat eiser in 2017 in Spanje een asielverzoek heeft ingediend, zodat de Duitse autoriteiten hier voorafgaand aan het claimakkoord van op de hoogte waren.
4.3.
In het verlengde hiervan volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat uit de overlegde stukken in Spanje volgt dat Spanje gelet op de verantwoordelijkheidscriteria uit de Dublinverordening verantwoordelijk is. Eiser heeft ter onderbouwing van dit standpunt op 11 december 2023 onvertaalde stukken overlegd waaruit volgens hem blijkt dat hij inwoner van Spanje is en Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Vervolgens heeft eiser op 27 december 2023 de vertaalde stukken overlegd, hieruit blijkt samengevat dat eiser op 8 april 2019 stond ingeschreven voor een (beginners) taalcursus Catalaans. En dat hij op 22 juni 2020 stond ingeschreven in het gemeentelijk bevolkingsregister van de gemeente San Sebastian. Uit een ander document volgt dat het Spaanse woonadres in de gemeente Cervera van eiser op 5 december 2018 is gewijzigd. Op 11 januari 2024 heeft eiser een document overlegd waaruit blijkt dat hij op 20 september 2022 in een Spaans ziekenhuis is onderzocht/geholpen. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat het adres dat vermeldt staat op het ziekenhuisdocument overeenkomt met het adres waar eiser in Spanje staat ingeschreven.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.
5.1.
Omdat het bestreden besluit een gebrek kent ziet de rechtbank wel aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de door eiser redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.750 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde van €875 per punt en wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser doet ter onderbouwing van dit betoog een beroep op het arrest Ghezelbash C-63/15; en het arrest Karim C-155/15.
Eiser doet ter onderbouwing van dit betoog een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de EU in de gevoegde zaken C-228/21, C-254/21, C-297/21, C315/21 en C-328/21, ECLI:EU:C:2023:934.
De staatssecretaris heeft op de zitting toegelicht dat is geprobeerd om het gehoorverslag van de KMar van 23 oktober 2023 toe te voegen aan het digitale dossier. Dit is echter niet gelukt. De staatssecretaris heeft (de inhoud van ) het gehoorverslag daarom mondeling op de zitting toegelicht.
HvJ van 2 april 2019, Nederland tegen H.R., ECLI:EU:C:2019:280.
ABRvS van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3672.