Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:1183
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,495 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1391
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Zevenbergen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 14 januari 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, via een beeldverbinding, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het opleggen van de maatregel van bewaring rechtmatig is. Zij doet dat onder meer aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond. Het opleggen van de maatregel van bewaring is niet onrechtmatig. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft de staatssecretaris voldoende voortvarend gehandeld?
4. Eiser voert in zijn enige beroepsgrond aan dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. In het overdrachtsverzoek staat dat op elke werkdag overdracht mogelijk is, als dit maar tenminste drie werkdagen van tevoren wordt aangekondigd. Volgens eiser betekent dit dat eiser, gelet op het claimakkoord van vrijdag 19 januari, op woensdag 24 januari kan worden overgedragen. Nu de overdracht pas is gepland op 30 januari, neemt de staatssecretaris meer tijd dan redelijkerwijs nodig is. Daarom is niet aan het voortvarendheidsvereiste voldaan.
4.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening duurt de bewaring zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris niet meer tijd neemt dan redelijkerwijs nodig is. De staatssecretaris heeft daarbij, volgens vaste rechtspraak, wel enige ruimte om de benodigde handelingen in te plannen en uit te voeren. Zo blijkt, uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat een vertrekgesprek is aan te merken als een handeling van directe betekenis voor de overdracht. Eiser is op 14 januari 2024 in bewaring gesteld. Op 16 januari 2024, de derde dag van de inbewaringstelling, heeft de staatssecretaris een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris aan de Duitse autoriteiten een overdrachtsverzoek verzonden, welke de autoriteiten op 19 januari 2024 hebben geaccepteerd. De staatssecretaris heeft op de zitting toegelicht dat hij voornemens is om eiser op 30 januari 2024 over te dragen aan de Duitse autoriteiten. Gelet hierop heeft de staatssecretaris naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gehandeld. Niet is gebleken van een bewaring die langer duurt dan redelijkerwijs nodig om de administratieve procedures af te ronden en van een dreigende overschrijding van de maximale duur van de bewaring van zes weken als bedoeld in de Dublinverordening is geen sprake. Het betoog van eiser dat de staatssecretaris zo snel mogelijk de overdracht naar Duitsland moet realiseren en dat dit betekent dat hij de overdracht drie werkdagen van tevoren moet aankondigen, wat er volgens eiser toe moet leiden dat hij kort na de zitting moet gaan vliegen maakt dit niet anders omdat – zoals gezegd – de staatssecretaris enige ruimte heeft om de benodigde acties op een zorgvuldige wijze te kunnen uitvoeren. De staatssecretaris heeft op de zitting toegelicht dat eisers overdracht is gepland op 30 januari 2024. In dit geval is de staatssecretaris, naar het oordeel van de rechtbank, binnen de hem daarvoor gegunde ruimte gebleven. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ABRvS 29 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2270.
ABRvS 4 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1505.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.