Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:11818
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,716 tokens
Inleiding
Rechtbank DEN HAAG
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/665167 / JE RK 24-749
Datum uitspraak: 12 juli 2024
Beschikking over proceskostenveroordeling
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. [advocaat] te [vestigingsplaats] , die zich op 1 juli 2024 heeft onttrokken.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.M.J. van Uitert te Waalwijk,
en
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het verloop van de procedure
Op 23 april 2024 heeft de rechtbank, buiten kantooruren, het verzoekschrift van de moeder strekkende tot vervallen verklaring van een schriftelijke aanwijzing met 9 producties ontvangen.
Op 24 mei 2024 heeft de rechtbank een e-mail van de advocaat van de moeder met twee bijlagen ontvangen, waarin de moeder het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing intrekt en aanvullend verzoekt de gecertificeerde instelling te veroordelen in de proceskosten.
Bij e-mail van 26 juni 2024 zijn (de advocaat van) de vader en de gecertificeerde instelling in de gelegenheid gesteld om op het aanvullende verzoek van de moeder te reageren.
Op 27 juni 2024 heeft de rechtbank een e-mail met bijlage van de advocaat van de vader ontvangen.
Op 1 juli 2024 heeft de rechtbank een e-mail van de advocaat van de moeder ontvangen dat zij zich onttrekt uit deze zaak.
De voor deze procedure relevante feiten
- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De vader heeft de kinderen erkend.
Op 9 april 2024 heeft de gecertificeerde instelling aan de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven, kort gezegd inhoudende een (uitbreiding van de) omgangsregeling tussen de vader en de kinderen.
Bij beschikking van 11 april 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd tot 22 april 2025.
Bij beschikking van 17 april 2024 van het gerechtshof Den Haag is onder meer bepaald dat de vader samen met de moeder belast is met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Bij beschikking van 8 juli 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank is een zorgregeling vastgesteld.
Het verzoek
Het resterende verzoek van de moeder strekt ertoe de gecertificeerde instelling te veroordelen in de proceskosten. Het verzoek tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van 9 april 2024 heeft de moeder ingetrokken.
Beoordeling
In familie- en jeugdzaken worden de proceskosten doorgaans gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Niettemin kan de rechtbank in uitzondering daarop een proceskostenveroordeling uitspreken als deze kosten nodeloos werden aangewend of veroorzaakt. De rechter kan dan de kosten voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte (zie artikel 237 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
De moeder voert aan dat zij door het handelen of nalaten van de gecertificeerde instelling onnodig op juridische kosten is gejaagd, omdat de gecertificeerde instelling de schriftelijke aanwijzing heeft ingetrokken na het verstrijken van de beroepstermijn, terwijl tijdens de zitting van 11 april 2024 (over de verlenging van de ondertoezichtstelling) al is gesproken over de intrekking. Door dit niet tijdig te doen was de moeder genoodzaakt het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing in te dienen, omdat zij het met de inhoud daarvan oneens was.
Uit de correspondentie die is gevoegd bij de e-mail van 24 mei 2024 maakt de rechtbank op dat op 25 april 2024 een overleg tussen de moeder en de gecertificeerde instelling was gepland over, onder meer, de schriftelijke aanwijzing. Ook maakt de rechtbank op dat het overleg op deze dag was gepland vanwege de uitspraak van het gerechtshof Den Haag, die onder meer, evenals de schriftelijke aanwijzing, zou gaan over het contact tussen de vader en de kinderen. Het overleg is door de moeder afgezegd, waarna de gecertificeerde instelling de moeder op 25 april 2024 per e-mail heeft geïnformeerd over de intrekking van de schriftelijke aanwijzing van 9 april 2024.
De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat de schriftelijke aanwijzing feitelijk daags na het verstrijken van de beroepstermijn is ingetrokken. Artikel 1:264, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat de termijn voor het indienen van zo’n verzoek twee weken na verzending of uitreiking van de schriftelijke aanwijzing bedraagt.
Anders dan de moeder is de rechtbank van oordeel dat dit niet leidt tot de conclusie dat het de gecertificeerde instelling valt te verwijten dat de moeder juridische kosten heeft gemaakt. Kennelijk was voor alle betrokkenen duidelijk dat de schriftelijke aanwijzing zou worden aangepast, en dus ingetrokken, conform de uitspraken van de rechtbank en het gerechtshof over de invulling van de omgangsregeling. Uit het feit dat de gecertificeerde instelling dit pas na de beroepstermijn daadwerkelijk heeft gedaan trekt de rechtbank niet de conclusie dat de gecertificeerde instelling moedwillig de moeder op nodeloze kosten heeft gejaagd.
Aldus ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken aan het uitgangspunt dat partijen in familie- en jeugdzaken ieder de eigen kosten dragen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven op 12 juli 2024 door mr. M.P. Meeuwisse, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.