Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:11814
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,107 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5430
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024 in de zaak tussen
[eisere], uit [woonplaats] (België), eiseres
(gemachtigde: mr. L. Meys),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de schulden van eiseres die voortvloeien uit de met
[bedrijfsnaam 1] B.V. ([bedrijfsnaam 1]) en [bedrijfsnaam 2] N.V. ([bedrijfsnaam 2]) gesloten borgtochtovereenkomsten, te betalen.
1.1.
Met de primaire besluiten van 22 februari 2023 en 1 maart 2023 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres te betalen. Met het bestreden besluit van
9 augustus 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M. Wijnands namens de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres was bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 3] B.V. ([bedrijfsnaam 3]) en [bedrijfsnaam 4] B.V. ([bedrijfsnaam 4]). [bedrijfsnaam 3] is op 10 juli 2018 een financieringsovereenkomst aangegaan met [bedrijfsnaam 1], waarbij door [bedrijfsnaam 1] aan [bedrijfsnaam 3] een geldlening is verstrekt van € 60.420. [bedrijfsnaam 3] is opgehouden te bestaan per 1 januari 2019.
3. [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] zijn op 4 december 2018 een financieringsovereenkomst aangegaan met [bedrijfsnaam 2], waarbij door [bedrijfsnaam 2] aan [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] een geldlening is verstrekt van € 50.000. [bedrijfsnaam 4] is opgehouden te bestaan per 21 januari 2021.
4. Eiseres heeft zich jegens [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] persoonlijk borg gesteld voor terugbetaling van de aan [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] verstrekte leningen. Omdat [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] hun betalingsverplichtingen richting [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] niet zijn nagekomen en vervolgens zijn opgehouden te bestaan, is eiseres door [bedrijfsnaam 1] op 10 oktober 2018 en door [bedrijfsnaam 2] op 13 februari 2019 aangesproken op haar verplichtingen uit hoofde van de borgtocht.
5. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun geldschulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het betalen van de geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). Eiseres heeft verzocht om betaling van de schulden die voortvloeien uit de borgstelling van respectievelijk € 78.078,10 en € 54.953,32. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden niet worden betaald, omdat deze schulden op een andere naam staan dan die horen bij het burgerservicenummer van eiseres.
Wat vindt eiseres in beroep?
6. Eiseres stelt dat haar schulden bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] ten onrechte zijn aangemerkt als de zakelijke schulden van de rechtspersonen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4]. De schulden die [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] hadden bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] zijn als gevolg van de persoonlijke borgstelling immers overgegaan op eiseres en worden op haar privévermogen verhaald. Het gaat dus om haar privaatrechtelijke schulden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1 van de Wht. Het niet betalen van de schulden is in strijd met het doel en strekking van de Wht, omdat eiseres daardoor niet de kans krijgt om een nieuwe start te maken. Verweerder heeft bovendien doorslaggevend belang gehecht aan de herkomst van de schulden, terwijl in de schuldenaanpak niet gekeken wordt naar causaliteit. De oorzaak van de schulden hoort daarom ook in dit geval geen rol te spelen. Voor zover de schulden van eiseres als zakelijke schulden moeten worden gekwalificeerd, stelt eiseres zich op het standpunt dat zij persoonlijk aansprakelijk is voor deze zakelijke schulden en dat ook de zakelijke schulden van een gedupeerde onder het toepassingsbereik van de Wht vallen. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.
Wat vindt verweerder in beroep?
7. Verweerder stelt dat de zakelijke schulden van eiseres voortvloeien uit de uitoefening van haar twee B.V.’s en omdat de Wht niet voorziet in de overname van de zakelijke schulden van rechtspersonen, blijft verweerder bij zijn standpunt dat de schulden van eiseres niet voor betaling in aanmerking komen. Het doel en strekking van de Wht is volgens verweerder niet te verenigen met het vergoeden van de zakelijke schulden van rechtspersonen dan wel het vergoeden van schulden die voortvloeien uit het zijn van bestuurder dan wel hoofdaandeelhouder van een B.V. Privaatrechtelijke zakelijke opeisbare schulden die voortvloeien uit de in de vorm van een eenmanszaak of een personenvennootschap gedreven onderneming worden wel overgenomen, omdat die schulden op het privévermogen van de gedupeerde ouder kunnen worden verhaald en daarom zwaar drukken op het maken van een nieuwe start. Hoofdelijke aansprakelijkheid is bij een B.V. echter niet aan de orde, zodat bij de totstandkoming van de Wht logischerwijs ook niet aan de orde is geweest of schulden ontstaan in de uitoefening van een B.V. ook overgenomen zouden moeten worden. Verweerder wijst er verder nog op dat bedrijfskredieten gewoonlijk worden aangegaan door een B.V. om gedane investeringen dan wel bedrijfsmatige activiteiten te kunnen bekostigen. Indien deze kredieten niet terugbetaald kunnen worden, is dit normaal gesproken het gevolg van de manier waarop de bedrijfsvoering binnen de B.V. is geregeld of wordt uitgevoerd. Verweerder ziet niet in hoe er een verband gelegd kan worden tussen een gedupeerde ouder en de slechte financiële situatie van een B.V. en acht het ook om deze reden niet logisch om schulden ontstaan in de uitoefening van een B.V. te vergoeden op grond van de Wht. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel is geen sprake.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Verweerder heeft geweigerd de schulden van eiseres te betalen, omdat het volgens hem in de basis gaat om de zakelijke schulden van [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] en het niet het doel en strekking van de Wht is om de zakelijke schulden van rechtspersonen te vergoeden. De rechtbank stelt vast dat eiseres door het aangaan van de borgstelling in privé aansprakelijk is geworden voor de nakoming van de op [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] rustende verplichtingen uit de financieringsovereenkomsten. Enige tijd na het sluiten van de financieringsovereenkomsten voldeden [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] niet langer aan hun verplichtingen uit de financieringsovereenkomsten en zijn zij opgehouden te bestaan, waarna [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] hetgeen zij uit hoofde van de financieringsovereenkomsten te vorderen hadden, ook daadwerkelijk bij eiseres hebben opgeëist. Deze omstandigheden maken dat sprake is van op eiseres rustende privaatrechtelijke zakelijke schulden bij [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2]. Dat deze schulden voortvloeien uit de overeenkomsten die [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] destijds gesloten hebben met [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2], maakt dat niet anders. [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] bestaan immers niet meer en [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] kunnen zich slechts nog verhalen op het privévermogen van eiseres, hetgeen zij ook hebben gedaan. In de Wht is geen aanknopingspunt te vinden op grond waarvan verweerder in dit soort gevallen het betalen van de schulden zou moeten weigeren. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de op eiseres rustende schulden aangemerkt dienen te worden als de zakelijke schulden van de ontbonden rechtspersonen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 4] en om die reden niet voor overname of betaling in aanmerking kunnen komen.
9. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat ervoor is gekozen om de privaatrechtelijke zakelijke schulden te betalen die voortvloeien uit de in de vorm van een eenmanszaak of een personenvennootschap gedreven onderneming, omdat die schulden op het privévermogen van de gedupeerde ouder kunnen worden verhaald en daarom zwaar drukken op het maken van een nieuwe start. Daarmee wordt geprobeerd te voorkomen dat gedupeerde ouders door verhaal op hun privévermogen voor ondernemingsschulden alsnog persoonlijk in de problemen komen. De regeling voor het overnemen van private schulden heeft verder tot doel gedupeerden die te maken hebben met incassomaatregelen tegemoet te komen en is bedoeld is om gedupeerde ouders zoveel als mogelijk de kans te bieden om een nieuwe start te maken, vrij van incassomaatregelen.
Conclusie
12. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag na verzending van deze uitspraak.
13. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten en het griffierecht aan eiseres vergoeden. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Eiseres heeft ook verzocht om een vergoeding van haar reiskosten van € 58,80. Dit bedrag komt de rechtbank niet onaannemelijk of onredelijk voor. Deze kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking.
14. De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat eiseres teveel griffierecht heeft betaald. Er had een griffierecht moeten worden geheven van € 50 in plaats van € 184. Verweerder zal daarom € 50 aan eiseres dienen te vergoeden. De rechtbank zal eiseres een bedrag terugbetalen van € 134.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een
nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.808,80;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50 aan eiseres dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Tweede Kamer, 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 45 en 46.
Tweede Kamer, 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 44 en 45.
Tweede Kamer, 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 45 en 46.