Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:11813
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/6707
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] (België), eiseres
(gemachtigde: mr. A.P. van Knippenbergh),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de schulden van eiseres bij [bedrijfsnaam] en de [bankinstelling] te betalen.
1.1.
In het primaire besluit van 22 juli 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de private schulden van eiseres bij [bedrijfsnaam] en de [bankinstelling] te betalen. In het bestreden besluit van 30 augustus 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van verweerder. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met voorafgaande mededeling, niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun privaatrechtelijke geldschulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het betalen van de geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN).
3. Eiseres heeft verzocht om betaling van haar schulden bij [bedrijfsnaam] en de [bankinstelling] . De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden niet worden betaald, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt dat haar schulden ten onrechte niet door verweerder zijn betaald.
Voor wat betreft de schuld bij [bedrijfsnaam] verwijst eiseres naar een aanmaning van de gerechtsdeurwaarder met dagtekening 11 januari 2022. Volgens haar blijkt uit die aanmaning dat de vordering met factuurnummer 1106450946 al opeisbaar was op
9 maart 2021. Eiseres vermoedt dat meer vorderingen van Pidba opeisbaar zijn geworden in de periode voor 1 juni 2021. Ook de schulden bij de [bankinstelling] zijn volgens eiseres in de periode voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden. Eiseres verwijst in dit verband naar een brief van de [bankinstelling] van 12 januari 2019 waaruit volgens haar blijkt dat de schuld afgelost diende te zijn op 22 maart 2019. Eiseres stelt daarnaast dat sprake is van schending van het motiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder stelt dat de schulden van eiseres niet voor betaling in aanmerking komen. De schuld bij [bedrijfsnaam] voldoet namelijk niet aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. De schulden bij de [bankinstelling] voldoen niet aan de voorwaarden van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Wat is het toetsingskader?
6. Toen het primaire besluit genomen werd, gold als grondslag voor de besluitvorming het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Het Besluit was vastgesteld vooruitlopend op nieuwe wetgeving over de hersteloperatie om gedupeerde ouders tegemoet te komen. Sinds 2 november 2022 en daarmee ten tijde van het nemen van het hier in geding zijnde bestreden besluit, is het Besluit opgenomen in afdeling 4.1 van de Wht. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf die datum over het al dan niet compenseren of betalen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het compenseren en het betalen van private schulden zijn overigens dezelfde vereisten die het Besluit stelde.
7. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt verweerder een geldschuld over als deze:
- is ontstaan na 31 december 2005 (onderdeel a);
- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (onderdeel b); en
- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (onderdeel c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schuld bij [bedrijfsnaam] terecht niet heeft overgenomen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. De rechtbank verwijst in dit verband naar een e-mailbericht van
[bedrijfsnaam] van 4 juli 2022, waarbij een overzicht is overgelegd van het dan nog openstaande saldo. De rechtbank ziet geen aanleiding om niet uit te gaan van dit e-mailbericht, omdat [bedrijfsnaam] in de hoedanigheid van schuldeiser bij uitstek op de hoogte is van de allerlaatste mutaties en betalingen en daarmee het best in staat is om informatie te verschaffen over de schuld. Uit voornoemd overzicht blijkt dat de oudste nog openstaande vordering met factuurnummer 3401829290 is ontstaan op 7 oktober 2021. Op 1 juni 2021 bestond deze vordering dus nog niet, zodat voor alle nog openstaande vorderingen bij [bedrijfsnaam] geldt dat geen sprake kan zijn van vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden schulden. De stelling van eiseres dat uit de aanmaning van de gerechtsdeurwaarder van 11 januari 2022 blijkt dat de vordering met factuurnummer 1106450946 al opeisbaar was op 9 maart 2021, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat deze oudere informatie niet prevaleert boven de recentere informatie van [bedrijfsnaam] en dat factuurnummer 1106450946 niet vermeld staat op het overzicht van [bedrijfsnaam] van 4 juli 2022, blijkt uit de aanmaning van 11 januari 2022 dat die vordering juist pas is ontstaan op 9 maart 2021 en door middel van een aangetekende ingebrekestelling is die vordering op 27 oktober 2021, en dus na de peildatum van
1 juni 2021, opgeëist.
9. De rechtbank leidt uit het primaire besluit af dat de twee schulden van eiseres bij de [bankinstelling] zijn afgewezen, omdat de schuldeiser toen nog niet gereageerd had op het verzoek om informatie van de SBN (code 11). Op 19 september 2022 heeft de [bankinstelling] een overzicht overgelegd van 30 augustus 2022 van het nog openstaande saldo van de lening met nummer 950120750985. Uit dit overzicht blijkt niet dat eiseres in de periode voor
1 juni 2021 achterstallige betalingen heeft doen ontstaan. Op diezelfde datum heeft de [bankinstelling] een saldo-opgave formulier overgelegd met betrekking tot de lening met nummer 955619836185. Op het saldo-opgave formulier heeft de [bankinstelling] vermeld dat op
9 september 2022 een vordering is ontstaan van € 45,38. Op 27 juli 2023 heeft de [bankinstelling] in een e-mailbericht nadere informatie verstrekt over de lening met nummer 950120750985. In dat e-mailbericht heeft de [bankinstelling] aangegeven dat het krediet op 18 maart 2023 definitief is opgezegd en opeisbaar is gesteld en dat er geen achterstallige betalingen waren op 1 juni 2021. Op basis van die stukken heeft verweerder in het bestreden besluit de afwijzingscode voor deze schulden gewijzigd van code 11 naar code 4, wat inhoudt dat verweerder deze schulden niet betaalt omdat niet is gebleken dat er betalingsachterstanden bestonden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schulden bij de [bankinstelling] terecht niet heeft overgenomen, omdat uit de in overweging 9 vermelde stukken blijkt dat de schulden niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk het tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. Eiseres heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij in de periode voor 1 juni 2021 opeisbare betalingsachterstanden heeft doen ontstaan dan wel dat de hoofdsom van de schulden op enig moment in de periode voor 1 juni 2021 geheel opeisbaar is geworden. Weliswaar is eiseres in de brief van de [bankinstelling] van 12 januari 2019 verzocht om voor 22 maart 2019 over te gaan tot betaling van het volledige openstaande bedrag, maar uit die brief blijkt niet dat de [bankinstelling] de schuld ook daadwerkelijk voor 1 juni 2021 heeft opgeëist.
11. Het vereiste van de opeisbaarheid vloeit voort uit de wet. Dit vereiste is dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten. Ook krijgt zij geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Stcrt. 2021, 44723.
Dit staat in artikel 9.2, eerste lid, onder j, van de Wht.
Dit staat in artikel 8.6 van de Wht.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van
de Wht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 38.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 43 en 45.
Dit betreft de uitspraken met nummers ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 44.