Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:11810
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,746 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6880 en NL24.7891
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2024 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Verweerder heeft op 28 februari 2024 deze maatregel van bewaring opgeheven.
Aansluitend aan die opheffing heeft verweerder bij besluit van 28 februari 2024 (het bestreden besluit 2) aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 opgelegd.
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen tezamen op 4 maart 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978.
2. Omdat de bewaringsmaatregel van 22 februari 2024 is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in het beroep daartegen (NL24.6880) tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Omdat de gronden in de beroepen tegen de opvolgende maatregelen van bewaring goeddeels gelijkluidend zijn, bespreekt rechtbank die gronden hieronder gezamenlijk.
Procesverloop
4. Eiser stelt dat er in het dossier stukken ontbreken. Onder andere stukken ten aanzien van het strafrechtelijk voortraject, een M122 en een (aanvullend) terugkeerbesluit. Op deze wijze kon eiser niet effectief worden bijgestaan ex artikel 47 EU-Handvest. Eiser is zwakbegaafd en moet stukken voorgelezen krijgen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank bevinden zich voldoende stukken in het dossier om de rechtmatigheid van de opgelegde maatregelen te kunnen toetsen. Voorafgaand aan het onderzoek ter zitting heeft verweerder de M122 en een aanvullend terugkeerbesluit van 21 januari 2024 toegevoegd aan het dossier. Stukken omtrent de strafrechtelijke aanhouding ontbreken in het dossier, maar ter zitting heeft eiser bevestigd dat hij is aangehouden op verdenking van heling van een fiets.
6. Eiser stelt daarnaast dat verweerder eiser niet in bewaring heeft kunnen stellen omdat er nog een te executeren straf open lijkt te staan. Eiser wijst daarbij op parketnummer 09-063173-18.
7. Ook deze grond kan niet slagen. In genoemd parketnummer is de voorlopige hechtenis gelijk geweest aan de opgelegde gevangenisstraf van twee weken. Hetzelfde geldt overigens voor de opgelegde gevangenisstraf in parketnummer 09-341150-23. Van een nog te executeren vrijheidsstraf is dus geen sprake.
8. Eiser is verder van mening dat verweerder bij het OM instemming had moeten vragen voor uitzetting vóór de inbewaringstelling. Dat standpunt is niet juist, gezien jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de instemming van het OM met name van belang is zodra de datum van uitzetting in beeld komt. Daarvan is in dit geval nog geen sprake.
9. Eiser voert voorts aan dat de maatregel van bewaring niet aan eiser is uitgereikt in overeenstemming met artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en de uitspraak van de Afdeling daarover van 5 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4180). Eiser is namelijk niet schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte gebracht van de redenen van zijn bewaring, en ook niet van de mogelijkheden om daartegen op te komen met gratis rechtsbijstand.
10. Verweerder heeft ter zitting erkend dat niet is voldaan aan artikel 5.3 van het Vb 2000. Zoals verweerder evenwel terecht heeft opgemerkt is dit een gebrek dat niet zonder meer leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring, maar dat moet leiden tot een belangenafweging. Die afweging moet naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van verweerder uitvallen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat weliswaar niet aan het schriftelijkheidsvereiste uit artikel 5.3 van het Vb 2000 is voldaan, maar dat eiser wel mondeling de gronden voor de inbewaringstelling zijn meegedeeld, dat eiser zijn advocaat heeft gesproken en dat hem kosteloze rechtsbijstand is toegewezen.
De aanloop naar de maatregel van 22 februari 2024
11. Eiser stelt dat hij is staandegehouden doormiddel van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht terwijl er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf was.
12. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Weliswaar ontbreekt een proces-verbaal van (strafrechtelijke) aanhouding, maar eiser heeft desgevraagd ter zitting de gang van zaken toegelicht. Eiser heeft bevestigd dat hij door de politie is aangehouden op verdenking van heling van een fiets. Deze fiets was jaren geleden als gestolen opgegeven en volgens eiser in bezit van de man in wiens woning hij op dat moment was. Die man heeft echter eiser aangewezen als bezitter, wat voor de politie reden was om eiser aan te houden als verdachte. Op het politiebureau is al snel besloten tot sepot omdat er onvoldoende bewijs was. Na telefonisch contact heeft de procesvertegenwoordiger van verweerder verklaard dat het snelle sepot ook reden is waarom er geen proces-verbaal van de aanhouding meer is opgemaakt. De rechtbank ziet in deze gang van zaken, die ondanks het ontbreken van een proces-verbaal van de politie met voldoende zekerheid is vast te stellen, geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat mogelijk sprake is geweest van verkapt vreemdelingrechtelijk toezicht.
13. Eiser is ook van mening dat de verkeerde grondslag voor de ophouding is gekozen, namelijk artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De identiteit van eiser was echter genoegzaam duidelijk dus de grondslag voor de ophouding had moeten zijn artikel 50, derde lid, van de Vw 2000
14. Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Zoals blijkt uit gedingstuk 8 (Formulier externe bijzonderheden zaak), is eiser op 22 februari 2024 om 11:39 uur aangehouden op verdenking van heling en kon hij zich daarbij niet identificeren. Om 13:30 uur is eiser overgenomen en opgehouden. Daarna heeft blijkens het dossier nog onderzoek plaatsgevonden ter vaststelling van eisers identiteit, zie met name gedingstuk 8.
De gronden van de maatregelen
15. In de bewaringsmaatregel van 22 februari 2024 heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000, als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
16. In de bewaringsmaatregel van 28 februari 2024 heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van Vb 2000 dezelfde zware en lichte gronden als in de bewaringsmaatregel van 22 februari 2024 vermeld.
17. Eiser stelt dat hij ten onrechte aanvankelijk in bewaring is gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser immers al aangegeven dat hij niet terug zou kunnen naar Marokko. Hij had dus meteen op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring moeten worden gesteld.
18. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Het klopt dat eiser in het gehoor voor de inbewaringstelling heeft gevraagd om in Nederland te mogen blijven, maar uit het verslag van het gehoor voor inbewaringstelling kan de rechtbank niet opmaken dat eiser aanspraak maakte op internationale bescherming. Het lijkt er veeleer op dat eiser (misschien begrijpelijk) grote belemmeringen zag om terug te keren naar Marokko, maar een vrees voor vervolging of ernstige schade heeft eiser niet benoemd. Verweerder heeft in de verklaringen van eiser dan ook evenmin reden moeten zien om artikel 59b van de Vw 2000 toe te passen. Dat wordt naar het oordeel van de rechtbank niet anders als in ogenschouw wordt genomen dat eiser eerder een asielprocedure heeft doorlopen.
19. Eiser betwist voorts de gronden voor de maatregel. Hij heeft (onder meer) de zware gronden onder 3b en 3c bestreden. Ten aanzien van de zware grond onder 3b heeft eiser aangevoerd dat hij zich niet aan het toezicht heeft onttrokken, hij wilde eerder juist een asielaanvraag doen. Ten aanzien van de zware grond onder 3c betwist eiser dat hij een eerdere aanzegging, waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt, heeft gekregen.
20. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3b en 3c feitelijk juist zijn.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.C.M. van Dommele, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.