Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:11737
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Proceskostenveroordeling
1,045 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11639
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], verzoeker,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
v-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.
Inleiding
Verzoeker heeft op 16 maart 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 16 september 2022.
Bij besluit van 31 mei 2024 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker ingewilligd.
Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
De minister heeft hierop gereageerd. De minister is niet bereid de proceskosten voor het indienen van het beroep niet tijdig beslissen in onderhavige procedure te vergoeden.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
2. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is de minister tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. De minister heeft in zijn verweerschrift van 28 juni 2024 aangegeven niet bereid te zijn de proceskosten van eiser te vergoeden. De minister stelt dat hij in zaaknummer NL24.11638 reeds is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten en benadrukt dat het gaat om beroepen van een homogene groep. De minister stelt dat verzoeker een broer is van de verzoeker in de zaak met nummer NL24.11638, dat zij gelijktijdig hun beroepen hebben ingediend en de rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon van wie de werkzaamheden nagenoeg identiek zijn. In het kader van samenhang bestaat er volgens de minister daarom geen aanleiding om de proceskosten in onderhavig beroep te vergoeden.
5. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier van verzoeker in onderhavige zaak en dat van verzoeker in de zaak met nummer NL24.11638 op voorhand onvoldoende blijkt dat sprake is van samenhang als bedoeld in artikel 3 van het Bpb. Daarbij heeft de minister in de zaak met nummer NL24.11638 geen verweerschrift ingediend waarin hetzelfde als in onderhavige zaak wordt betoogd.
6. De rechtbank zal daarom de minister veroordelen in de proceskosten tot een bedrag van € 437,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift ter waarde van € 875,- en wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 437,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie
op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.