Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-26
ECLI:NL:RBDHA:2024:11731
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
670 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23523
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
de minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag met het het besluit van 2 februari 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2024 op het bezwaar van verzoeker is de minister van Asiel en Migratie bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
1. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet in het verzoekschrift de gronden van het verzoek vermelden. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
1.1.
Verzoeker heeft geen gronden vermeld in het verzoekschrift. De rechtbank heeft verzoeker bij brief van 1 juli 2024 verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen.
1.2.
Verzoeker heeft binnen die termijn geen gronden ingediend.
Conclusie
2. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van C. van der Bijl, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.