Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:11695
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,266 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.7700
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R. Klaver),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. A. Dijcks).
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2024 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verder was ter zitting aanwezig [naam 1] (echtgenote). Als tolk is verschenen [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Azerbeidzjaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 7 oktober 2021 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij sinds 2007/ 2008 een conflict heeft met zijn buren, waarna hij op 2017 Azerbeidzjan heeft verlaten. Verder wordt eiser door de autoriteiten van Azerbeidzjan gezocht, omdat hij geen gehoor heeft gegeven aan de oproep tot militaire dienst.
2. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Daarbij volgt verweerder eisers verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst. Het gestelde conflict met zijn buren en eisers vrees om bij terugkeer opgepakt te worden vanwege het ontlopen van de militaire dienstplicht wordt ook geloofwaardig geacht. Dit kan echter niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor te vrezen heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Azerbeidzjan een reëel risico loopt op ernstige schade. Tot slot komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier. Niet is gebleken dat zijn echtgenote rechtmatig verblijf heeft in Nederland, zodat geen sprake is van een beschermingswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
3. Eiser verzoekt al hetgeen door of namens hem is aangevoerd als in beroep herhaald en ingelast te beschouwen. Hij voert aan dat hij informatie in het geding heeft gebracht over de dienstplicht, de bestraffing van een dienstweigering, het afkopen van de dienstplicht met smeergeld en andere informatie over gewetensbezwaarden. Ook heeft hij informatie overgelegd over de situatie in Nagorno-Karabach. Verder heeft hij reeds aangegeven dat hij een echtgenote heeft waarmee hij naar Nederlands recht is gehuwd in Nijmegen. Zij heeft voor onbepaalde tijd verblijfsrecht in Duitsland waar zij ook woont en een eigen bedrijf heeft.
4. De rechtbank stelt vast dat wat eiser in de gronden van beroep naar voren brengt voornamelijk een herhaling is van wat in de zienswijze is gesteld. Verweerder is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Hierin heeft verweerder gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Azerbeidzjan in een situatie terechtkomt die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en dat ook geen sprake is van een 15c-situatie in die regio. Verder heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van een gezinsleven in Nederland en sprake zal zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt het herhalen van eerdere stellingen, zonder daarbij duidelijk te maken op welke onderdelen verweerder in zijn motivering tekort is geschoten, niet kan leiden tot het slagen van het beroep.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2024 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.