Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-18
ECLI:NL:RBDHA:2024:11688
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,480 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27740
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2024 in Breda op zitting behandeld. Eiseres is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1979 en de Belgische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiseres:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiseres voert tegen zware grond 3d aan dat eiseres bekend is bij verweerder en dat bekend is dat zij de Belgische nationaliteit heeft. Verder handelt verweerder niet voldoende voortvarend. Op 10 juni 2024 is een lp aangevraagd, maar er is nog steeds geen reactie van de Belgische autoriteiten ontvangen. Ook zou een nieuwe pasfoto moeten worden gemaakt volgens verweerder en dat is tot op heden ook nog niet gebeurd. Tot slot had moeten worden volstaan met een lichter middel.
4. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat, hoewel de gestelde identiteit en nationaliteit bekend is en er sprake is van een Belgische onderdaan, haar identiteit en nationaliteit formeel moeten worden bevestigd door de Belgische autoriteiten, nu eiseres geen identiteitspapieren heeft en geen aangifte van vermissing hiervan heeft gedaan. Tegelijkertijd wil zij ook geen contact opnemen met consulaire bijstand. Hiermee is de zware grond 3d terecht aan eiseres tegengeworpen. Er zijn geen beroepsgronden gericht tegen de zware gronden 3b en 3c. Er zijn daarom voldoende gronden om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om een risico op onderduiken aan te nemen.
5. Verweerder heeft op 9 juli 2024 een vertrekgesprek gevoerd met eiseres, op 10 juli 2024 is een lp-aanvraag ingediend en er is vervolgens op 15 juli 2024, volgens verweerder, door de Belgische autoriteiten verzocht om een nieuwe pasfoto. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan het vertrek van eiseres. Dat de nieuwe pasfoto nog niet is gemaakt, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat het hier ging om een ongeplande inbewaringstelling en dat er veel vreemdelingen in bewaring zitten en dat er tijd nodig is om een lp-traject te kunnen afronden en alle handelingen te verrichten.
6. In de maatregel van bewaring is voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen. Hierbij is onder anderen relevant dat eiseres een vertrektermijn heeft gekregen van een maand waarin zij de mogelijkheid had zelfstandig naar België terug te keren. Eiseres heeft dit nagelaten.
7. Verder leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enige moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 juli 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
Laissez-passer.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en – in aansluiting hierop – ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.