Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-23
ECLI:NL:RBDHA:2024:11487
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,587 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27624
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: mr. A.J. Rossingh).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft de maatregel van bewaring op 16 juli 2024 opgeheven omdat eiser is overgedragen aan Oostenrijk.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beoordeeld of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
5. De rechtbank is niet gebleken van onregelmatigheden of gebreken in het voortraject. De niet nader onderbouwde stelling van eiser dat de staande houding en ophouding onrechtmatig zijn, volgt de rechtbank dan ook niet.
Grondslag
6. Eiser voert ter zitting aan dat de maatregel van bewaring is opgelegd op een onjuiste grondslag. Eiser heeft namelijk zes maanden in Servië, en dus meer dan drie maanden buiten het Dublingrondgebied, verbleven. De verplichting van Oostenrijk om eiser op grond van de Dublinverordening terug te nemen, vervalt daarmee. De bewaring is dus ten onrechte opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw en daarmee onrechtmatig.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak op het beroep tegen het overdrachtsbesluit van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 21 mei 2024. In rechtsoverwegingen 15 en 16 van deze uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen indicaties zijn dat eiser het Dublingrondgebied heeft verlaten sinds hij in Oostenrijk om internationale bescherming had verzocht en de minister terecht heeft vastgesteld dat Oostenrijk verantwoordelijk is voor het asielverzoek van eiser. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is op 12 juni 2024 ongegrond verklaard. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de maatregel van bewaring terecht is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
Gronden
7. De minister heeft ter zitting lichte grond 4d laten vallen.
7.1.
Eiser heeft alle overige gronden betwist en voert aan, onder verwijzing naar het arrest Jawo, dat uit zijn feitelijke gedrag moet blijken dat hij van plan is om uit handen van de autoriteiten te blijven. Daar is volgens eiser geen sprake van. Er bestaat daarom geen risico op onttrekking aan het toezicht.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zware en lichte gronden 3a, 3k, 4a en 4c terecht aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Eiser verklaart immers zijn paspoort in Servië te hebben achtergelaten (3a). Dat hij in Nederland vervolgens een asielaanvraag heeft ingediend doet aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Daarnaast is ook zware grond 3k naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiser tegengeworpen nu hij op 21 november 2023 een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en niet is verschenen voor de geplande overdracht op 13 juni 2024. Eiser stelt dat hem dit vanwege zijn psychische problemen niet kan worden tegengeworpen en er sprake is van overmacht. De rechtbank overweegt dat uit het dossier inderdaad blijkt dat eiser kampt met ernstige psychische problemen, echter is onvoldoende aangetoond dat deze zodanig zijn dat eiser als gevolg daarvan niet in staat was mee te werken aan de overdracht. De lichte gronden 4a en 4c zijn tot slot feitelijk juist en het risico op onttrekking is daarbij voldoende gemotiveerd. Nu bovengenoemde gronden terecht zijn tegengeworpen en de maatregel van bewaring kunnen dragen, kan worden aangenomen dat een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
8. Eiser voert aan dat gezien zijn psychische problemen er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd. Eiser heeft recentelijk een suïcidepoging ondernomen en de bewaring heeft de klachten verergerd, wat ook blijkt uit het laatste vertrekgesprek met eiser. Daarnaast was eiser de laatste keer dat zijn gemachtigde hem sprak in isolatie geplaatst. Dit is volgens eiser een strafrechtelijk regime wat niet thuishoort binnen het vreemdelingenrecht. Eiser heeft zich daarnaast nooit aan het toezicht onttrokken en een lichter middel als een aanwijzing zich op te houden in een AZC was meer op zijn plaats geweest.
8.1.
Ten aanzien van de isolatie waar eiser in zou zijn geplaatst, overweegt de rechtbank dat dit betrekking heeft op de toepassing van het regime binnen het detentiecentrum en de rechtbank acht zich dan ook niet bevoegd hierover te oordelen. Eiser dient zich met deze klacht te wenden tot de beklagcommissie van het detentiecentrum.
8.2.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg heeft gegeven aan de op hem rustende vertrekplicht. Aan een eerder geplande overdracht heeft eiser geen gevolg gegeven. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maakten.
8.3.
Ten aanzien van de medische omstandigheden van eiser overweegt de rechtbank als volgt. In de maatregel wordt overwogen dat de medische zorgverlening in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de zorgverlening in de vrije maatschappij. Daarnaast overweegt de minister dat voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (meestal mensen met psychische problemen) er in het detentiecentrum gespecialiseerde zorg aanwezig is. Als er niet voldoende zorg kan worden gegeven, wordt eiser overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, een penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Daar komt bij dat eiser blijkens het dossier de medische dienst heeft bezocht en hij dus ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de geboden zorg. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de voorgaande overwegingen de medische omstandigheden van eiser bij het opleggen van de maatregel bewaring voldoende heeft betrokken en hier terecht geen aanleiding voor het opleggen van een lichter middel in heeft hoeven zien.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. De overdracht aan Oostenrijk heeft plaatsgevonden op 16 juli 2024, dag negen van de inbewaringstelling. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee voldoende voortvarend heeft gehandeld.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8003.
Hof van Justitie 19 maart 2019, Jawo tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2019:218.