Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:11414
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,641 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25713
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. E.G. Angela).
Procesverloop
Verweerder heeft op 13 mei 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2024 (in de zaak NL24.20461) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek (op 22 mei 2024) dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting (meer) is, omdat er sinds de aanvraag om een laissez-passer (lp) geen reactie is gekomen van de Indiase autoriteiten.
3.1.
Gelet op de mededeling in de maatregel van bewaring dat is gebleken dat India medewerking verleent aan gedwongen terugkeer en op de toelichting van verweerder ter zitting dat de Indiase autoriteiten in 2023 vier lp’s hebben afgegeven aan ongedocumenteerde Indiërs, gaat de rechtbank ervan uit dat er in het algemeen zicht op uitzetting naar India bestaat.
3.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar India in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. De op 15 mei 2024 voor eiser ingediende lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Indiase autoriteiten. De Indiase autoriteiten hebben op 3 juli 2024 (na de zitting van de rechtbank) een presentatie in persoon voor eiser ingepland. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Zijn enkele stelling dat de Indiase autoriteiten geen lp afgeven als er geen onderliggende documenten zijn, is niet onderbouwd en door verweerder gemotiveerd weersproken (zie 3.1). De rechtbank wijst er verder nog op dat op eiser de verplichting rust om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting en lp-traject. Dit betekent in dit geval concreet dat van eiser kan worden verlangd dat hij er alles aan doet om zijn documenten, die in het bezit zijn van zijn moeder in India, naar Nederland te laten komen.
3.3.
De beroepsgrond dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, slaagt gezien het voorgaande niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
4.1.
Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage en de overige zich in het dossier bevindende stukken volgt dat verweerder in de toetsen periode op 28 mei 2024, 12 juni 2024, 18 juni 2024 en 28 juni 2024 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd en op 28 mei 2024 en 18 juni 2024 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Indiase autoriteiten in verband met de lp-aanvraag.
4.2.
Door (minstens) elke twee weken een vertrekgesprek met eiser te voeren en (ongeveer) elke drie weken te rappelleren bij de Indiase autoriteiten heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank, mede in aanmerking genomen dat hij grotendeels afhankelijk is van de Indiase autoriteiten, in de te toetsen periode voldoende voortvarend aan eisers uitzetting gewerkt. Dat die handelingen effect hebben, blijkt wel uit het feit dat er op 3 juli 2024 een presentatie in persoon bij de Indiase autoriteiten is gepland. De beroepsgrond dat verweerder niet voldoende voortvarend handelt, slaagt dan ook niet.
Conclusie
5. Uit het voorgaande volgt dat eisers beroepsgronden niet leiden tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode (22 mei 2024 tot 3 juli 2024) op enig moment onrechtmatig is geweest.
Ambtshalve toetsing
6. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.