Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-10
ECLI:NL:RBDHA:2024:11380
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,202 tokens
Inleiding
Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/669201 / KG ZA 24-637
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 10 juli 2024
in de zaak van
1STICHTING WIJKBELANG SEGBROEK,
2. [eiser, sub 2] ,
3. [eiser, sub 3] ,
4. [eiser/eiseres sub 4] ,
5. [eiser, sub 5] ,
6. [eiser, sub 6] ,
7. [eiser/eiseres sub 7] ,
8. [eiser, sub 8] ,
9. [eiser/eiseres, sub 9] ,
10. [eiser, sub 10] ,
11. [eiser, sub 11] ,
12. [eiser/eiseres, sub 12] ,
13. [eiser, sub 13] ,
14. [eiseres, sub 14] ,
15. [eiser, sub 15] ,
16. [eiser/eiseres, sub 16] ,
17. [eiseres, sub 17] ,
18. [eiser, sub 18] ,
19. [eiser/eiseres, sub 19] ,
20. [eiser/eiseres,sub 20] ,
21. [eiser/eiseres, sub 21] ,
22. [eiser, sub 22] ,
23. [eiseres, sub 23] ,
24. [eiseres, sub 24] ,
25. [eiser, sub 25] ,
26. [eiser/eiseres, sub 26] ,
27. [eiser, sub 27] ,
allen te [woonplaats] ,
eisers,
advocaat mr. D.B. Dubach te ’s-Hertogenbosch,
tegen:
GEMEENTE DEN HAAG te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. D.S.P. Roelands-Fransen te Den Haag.
Eiseres sub 1 wordt hierna aangeduid als ‘de Stichting’ en de overige eisers gezamenlijk als ‘de omwonenden’. Gedaagde wordt hierna aangeduid als ‘de Gemeente’.
Aanwezig is mr. S.J. Hoekstra-van Vliet, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.F. Wagter, griffier.
Tevens zijn aanwezig partijen, vergezeld van hun advocaten.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 29a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.
1De gronden van de beslissing
1.1.
De Gemeente heeft eind 2023 het complex van het voormalige Haga-ziekenhuis aan de Sportlaan te Den Haag strategisch aangekocht en op 31 januari 2024 geleverd gekregen. Het college van burgemeester en wethouders (hierna: ‘het college’) heeft met gebruikmaking van zijn wettelijke bevoegdheid het complex aangewezen als locatie voor de tijdelijke opvang en huisvesting van asielzoekers, statushouders en zorgdoelgroepen. Deze tijdelijke invulling van het complex vergt een investering van € 26,5 miljoen en hiervoor is instemming van de gemeenteraad vereist. Het college heeft in dat verband op 28 mei 2024 een investeringsvoorstel aan de gemeenteraad gedaan. Dit voorstel staat geagendeerd voor de gemeenteraadsvergadering van 11 juli 2024.
1.2.
Tussen partijen is – kort gezegd – in geschil of het investeringsvoorstel van 28 mei 2024 tijdens de raadsvergadering van 11 juli 2024 mag worden behandeld. De omwonenden en de Stichting, die hun belangen ter zake behartigt, zijn van mening dat de Gemeente hen – in weerwil van daartoe gedane toezeggingen en opgewekt vertrouwen – in het kader van voormelde besluitvorming betreffende het complex onvoldoende gelegenheid tot inspraak en participatie heeft geboden én dat de Gemeente geen gedegen vooronderzoek heeft verricht naar de gevolgen van de keus voor gebruik als tijdelijke opvanglocatie, noch alternatieve scenario’s heeft onderzocht. Dat is volgens hen onzorgvuldig en onrechtmatig. Nu na goedkeuring van het investeringsvoorstel door de gemeenteraad uitvoeringshandelingen met onomkeerbare gevolgen zullen worden verricht, dient volgens de Stichting en de omwonenden de besluitvorming over dit investeringsvoorstel te worden opgeschort totdat alsnog op behoorlijke wijze gelegenheid tot inspraak en participatie door de Gemeente is geboden en aantoonbaar gedegen vooronderzoek is verricht.
1.3.
De vorderingen van de Stichting en de omwonenden zijn niet toewijsbaar. Daartoe wordt het volgende overwogen. Onweersproken is dat het college een wettelijke bevoegdheid heeft om locaties aan te wijzen als (tijdelijke) opvang- en/of huisvestingslocatie voor asielzoekers, statushouders en zorgdoelgroepen. Evenmin is weersproken dat het college in dat verband mag beslissen welke doelgroepen voor tijdelijke huisvesting in aanmerking komen en dat ook de beslissing over het aantal te plaatsen personen, de duur van hun plaatsing en de samenstelling van de te plaatsen groepen aan het college is voorbehouden. Het college heeft ten aanzien van het complex van het voormalige Haga-ziekenhuis van deze wettelijke bevoegdheid gebruik gemaakt. Dit kort geding leent zich niet voor een beoordeling van de rechtmatigheid van dit aanwijzingsbesluit van het college. De vorderingen van de Stichting en de omwonenden strekken daartoe ook niet. De Stichting en de omwonenden richten hun pijlen in dit kort geding op het (agenderen van het) investeringsvoorstel dat op 11 juli 2024 door de gemeenteraad zal worden behandeld. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, willen de Stichting en de omwonenden met dit kort geding bewerkstelligen dat het college wordt verplicht het investeringsvoorstel in te trekken, zulks met bepaling dat het pas opnieuw ter instemming aan de gemeenteraad mag worden voorgelegd, nadat de omwonenden alsnog voldoende gelegenheid tot inspraak en participatie is geboden en aantoonbaar gedegen vooronderzoek door het college heeft plaatsgevonden. Voor het treffen van een dergelijke voorziening is in dit kort geding echter geen plaats. Zoals de Gemeente gemotiveerd heeft gesteld en de Stichting en de omwonenden ook niet gemotiveerd hebben weersproken, komt bij het nemen van een aanwijzingsbesluit door het college aan omwonenden geen recht op inspraak en/of participatie toe. De voorzieningenrechter volgt de Gemeente dan ook in haar betoog op dit punt. Dit betekent dat de omwonenden – anders dan zij stellen – door het college niet betrokken behoefden te worden bij de keuze van de locatie, de duur van de tijdelijke opvang/huisvesting, de aantallen op te vangen/te huisvesten personen en hun problematiek. Er is dan ook geen grond om de Gemeente (lees: het college) te verplichten om het investeringsvoorstel in te trekken omdat de omwonenden onvoldoende inspraak hebben gehad. Reeds hierop stranden alle vorderingen van de Stichting en de omwonenden. Daarbij tekent de voorzieningenrechter wel aan dat het te betreuren valt dat de omwonenden kennelijk in de veronderstelling verkeerden dat zij op de hiervoor besproken onderwerpen, voorafgaand aan het nemen van het aanwijzingsbesluit, wel inspraak zouden hebben. De omwonenden hebben meer in het bijzonder gewezen op de schriftelijk door de Gemeente gedane toezegging dat met hen het gesprek zal worden aangegaan over de randvoorwaarden waaronder de tijdelijke opvang/huisvesting zal plaatsvinden. Met de Stichting en de omwonenden constateert de voorzieningenrechter dat kennelijk door de Gemeente niet goed is verduidelijkt op welke randvoorwaarden daarbij wordt gedoeld. Hoewel dit niet tot toewijzing van enige vordering kan leiden, valt dit de Gemeente wel aan te rekenen. Juist bij een project als het onderhavige, waarbij het gaat om de tijdelijke opvang/huisvesting van kwetsbare groepen in een woonwijk, ligt het op de weg van de Gemeente om te pogen een zo groot mogelijk draagvlak bij omwonenden te creëren. Heldere informatievoorziening vanuit de Gemeente richting omwonenden over hun inspraakrechten is daarbij van groot belang. Overigens tekent de voorzieningenrechter aan dat er, ook als de gemeenteraad op 11 juli 2024 met het investeringsvoorstel instemt, voor de omwonenden nog voldoende gelegenheid overblijft om hun zorgen en bezwaren omtrent de sociale veiligheid, leefbaarheid en stikstofdepositie met betrekking tot de opvanglocatie kenbaar te maken.
Dictum
De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst het gevorderde af;
2.2.
veroordeelt de Stichting en de omwonenden in de proceskosten van
€ 1.973,--, aan de Gemeente te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de Stichting en de omwonenden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, dan moeten zij € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. M.F. Wagter mr. S.J. Hoekstra-van Vliet