Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-16
ECLI:NL:RBDHA:2024:11236
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,667 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7247
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college
(gemachtigde: mr. J.M.N. Packbier).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 maart 2022 afgewezen. Met de beslissing op bezwaar van 26 september 2022 (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.
Beoordeling
2. Eiser heeft op 18 januari 2022 een uitkering in het kader van het Bbz 2004 aangevraagd met als gewenste ingangsdatum 1 december 2021. Eiser exploiteert de eenmanszaak restaurant [naam restaurant] . Dit restaurant was gedurende 11 jaar gevestigd aan de [adres 1] in Den Haag, maar is na een verbouwing inmiddels gevestigd aan de [adres 2] . Dit betreft een pand met vier huisnummers, [adres 2] en [adres 3] , [huisnummer 1] en [huisnummer 2] . Voorafgaand aan deze aanvraag heeft eiser een uitkering gehad op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo 1 tot en met 5). Zijn partner, [naam] werkt ook in het restaurant, maar zij heeft daarnaast ook een eigen bedrijf, een interieurwinkel. Eiser heeft in de aanvraag gesteld dat hij onvoldoende inkomsten heeft, en dat hij daarom tijdelijk om een inkomensondersteuning op grond van de Bbz 2004 verzoekt. Hij stelt aan de voorwaarden te voldoen van het Bbz 2004, waaronder het urencriterium, en geeft aan dat hij en zijn partner in 2018 en 2019 inkomsten hadden waarmee zij een deel van de vaste lasten konden betalen. Die inkomsten vielen grotendeels weg als gevolg van de coronacrisis in 2020 en 2021. Eiser heeft zijn aanvraag onderbouwd met door het college opgevraagde gegevens en documenten. Het college heeft uit de overgelegde jaarstukken opgemaakt dat eiser met zijn onderneming de afgelopen vier jaar structureel ruim onder de voor eiser geldende bijstandsnorm (gehuwdennorm) heeft verdiend. Het gaat om negatieve bedrijfsresultaten. Eiser heeft het college in een telefoongesprek op 9 maart 2022 uitgelegd dat dit voornamelijk kwam door de grote verbouwing van het eerdergenoemde bedrijfspand. Eiser was hiermee sinds 2018 zelfstandig zonder aannemer bezig. Eiser zou de onderneming in de zomer van 2022 gereed hebben en zijn bedrijfsactiviteiten kunnen hervatten. Omdat de bedrijfsresultaten van de onderneming de afgelopen vier jaar zodanig waren dat het inkomen lager was dan de (bijstands-)norm voor gehuwden, is het college tot de conclusie gekomen dat eisers bedrijf niet-levensvatbaar is. Het gaat daarbij om de volgende bedrijfsresultaten:2018: € 29,-2019: € - 6.047,-2020: € - 39.414,202021: € - 43.972,13Dit heeft ertoe geleid dat het college bij primair besluit van 9 maart 2022 eisers aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004 heeft afgewezen, op de grond dat eisers bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is.
3. In het bestreden besluit heeft het college zijn standpunt dat eisers bedrijf naar verwachting niet levensvatbaar is gehandhaafd. Het college heeft uit de overgelegde stukken opgemaakt dat eiser in 2018 een omzet heeft gemaakt van € 24.620,06. Daartegenover stond een bedrag van € 68.592,19 aan kosten. In 2019 was de omzet € 18.240,31, en de bijbehorende kosten waren € 57.60,51. Dit resulteert opnieuw in een negatief bedrijfsresultaat. Daarmee voldoet eiser volgens het college niet aan artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004. Eiser heeft volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat zijn bedrijf wel levensvatbaar is.
4.1.
Eiser voert in beroep allereerst aan dat hij ten onrechte niet is uitgenodigd voor een (fysieke) hoorzitting in de bezwaarprocedure, en dat hij daarom zijn situatie niet heeft kunnen uitleggen.
4.2.
De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond. Blijkens de stukken is op 16 april 2022 een telefonische hoorzitting gehouden. Dit was destijds een gebruikelijke en toegestane werkwijze in verband met de beperkingen die voortvloeiden uit de coronacrisis. Tijdens deze telefonische hoorzitting heeft eiser zijn standpunt uitvoerig kunnen toelichten. Dit blijkt uit het verslag van de hoorzitting.
4.3.
De stelling van eiser dat het college op oneigenlijke manier de beslistermijn met 6 weken heeft verlengd treft ook geen doel. Het college ontleent de bevoegdheid hiertoe aan artikel 7:10, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Overigens blijkt uit het dossier dat eiser het college bij brief van 18 juli 2022 in gebreke heeft gesteld vanwege het (na verlenging) niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het college heeft op 26 september 2022, en dus na het verstrijken van de verlengde termijn, een beslissing op eisers bezwaar genomen. Dit heeft geleid tot uitbetaling van de maximale dwangsom wegens niet tijdig beslissen (€ 1.442,-) aan eiser.
5. Eiser betwist in de kern dat zijn bedrijf ten tijde van belang niet levensvatbaar was. Volgens eiser berust het standpunt van het college alleen op het feit dat hij in 2018 en 2019 geen winst heeft gemaakt. Eiser legt in zijn beroepschrift uitgebreid uit hoe de bedrijfsresultaten in die jaren tot stand zijn gekomen. Eiser zegt grote investeringen te hebben gedaan. Hij heeft zijn bedrijfspand in die tijd verbouwd, althans met de verbouwing een aanvang gemaakt, zonder een aannemer in schakelen. De investeringen zijn ten laste gekomen van eisers bedrijf. Eiser is van mening dat voor de vraag of een bedrijf levensvatbaar is, bepalend is of de ondernemer genoeg weet te verdienen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser zegt daarin te zijn geslaagd, ook al heeft hij geen winst gemaakt. De 'Bbz-light'-regeling was volgens hem bedoeld als een tijdelijke maatregel en als opvolger van de Tozo 5. Eiser vindt het in strijd met het vertrouwensbeginsel dat de gemeente toezeggingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) niet heeft uitgevoerd. Deze tijdelijke regeling voorzag niet in een vermogenstoets en de aanvraag werd bij twijfel zonder advies van het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK) afgewezen. Dat betekende ook dat eiser het heeft moeten stellen zonder de bij een reguliere Bbz-aanvraag gebruikelijke hulp van het IMK. Zou het IMK negatief hebben geadviseerd, dan zou eiser een claim tot nadeelcompensatie bij het Rijk hebben ingediend. Het college heeft eisers aanvraag in bezwaar als een reguliere Bbz-aanvraag behandeld. De aanvraag betrof echter een tijdelijke financiële ondersteuning voor 4 maanden. De stelling van het college dat eiser een deskundigenadvies had moeten laten opstellen met betrekking tot de levensvatbaarheid van zijn bedrijf, acht hij daarom in strijd met de proportionaliteit en met het beginsel van fair play. Ten slotte vindt eiser dat het college met het opvragen van een grote hoeveelheid gegevens via een onveilige verbinding in strijd heeft gehandeld met de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
6. De rechtbank overweegt het volgende.
6.1.
Aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, kan algemene bijstand worden verleend. Dat staat in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbz 2004.
6.2.
Een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep is volgens artikel 1, aanhef en onder c, van het Bbz 2004 het bedrijf of zelfstandig beroep waaruit de zelfstandige naar verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven dat, samen met het overige inkomen, toereikend is voor de voortzetting van het bedrijf of zelfstandig beroep en voor dc voorziening in het bestaan. Dit betekent dat het inkomen toereikend dient te zijn om alle aflossingsverplichtingen te voldoen, dat voldoende middelen beschikbaar zijn om het bedrijf op peil te houden en dat voorts wordt voorzien in de kosten van het bestaan.
6.3.
Gedurende de periode van 1 oktober 2021 tot en met 31 december 2021 gold een versoepeling van het Bbz 2004 (Bbz-light). Die versoepeling was geregeld in het voor die periode aan het Bbz 2004 toegevoegde hoofdstuk VIIa. De versoepeling hield onder meer in dat er geen vermogenstoets werd toegepast.
Conclusie
7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Het college zal worden opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Eiser krijgt het door hem betaalde griffierecht terug. Omdat eiser geen kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is er geen grond voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit van 26 september 2022;- draagt het college op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;- draagt het college op om eiser het door hem betaalde griffierecht (€ 50,-) te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.