Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-02-01
ECLI:NL:RBDHA:2024:1117
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,721 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.1102
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
(gemachtigde: J.P.M. Wuite).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren zijn asielaanvraag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [datum] 1998. Hij heeft op 18 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 9 januari 2023 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard, omdat Italië een tijdelijke verblijfsvergunning asiel aan eiser heeft toegekend.
De rechtbank heeft het beroep op 25 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
De rechtbank beoordeelt het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Als gevolg van een bomexplosie in Somalië heeft eiser granaatscherven in zijn lichaam. Eiser kreeg in Italië geen hulp ten aanzien van medische zorg. Daarnaast was er geen hulp bij het vinden van werk en het volgen van onderwijs om Italiaans te leren. Nadat aan eiser was medegedeeld dat hij de opvang moest verlaten heeft hij zes maanden op straat geleefd, omdat hij geen baan en geen onderdak kon vinden. Eiser heeft af en toe gewerkt als dagloner. Ook heeft hij hulp gekregen van een kerk in Milaan, waar hij eten kreeg en er af en toe een slaapplaats voor hem was. Eiser is van mening dat hij niet terug kan keren naar Italië omdat hij daar niet goed behandeld wordt.
Het bestreden besluit
Het asielrelaas van eiser bevat volgens de staatssecretaris geen relevante elementen. Hoewel uit de verklaringen van eiser kan worden afgeleid dat hij het moeilijk had in Italië, blijkt volgens de staatssecretaris niet dat sprake is van een situatie die dusdanig slecht is dat bij terugkeer kan worden gesproken van een schending van artikel 3 van het EVRM. Volgens de staatssecretaris heeft eiser onvoldoende inspanningen verricht om zijn rechten te effectueren. Eiser heeft meer dan een jaar in Italië verbleven nadat de asielvergunning is verleend. Gesteld wordt dat eiser in Italië dezelfde rechten en plichten heeft als een Italiaans staatburger. Het is aan hem om zijn rechten in te roepen, al dan niet met hulp van organisaties die vluchtelingen bijstaan. Eiser heeft geen hulp gezocht bij de autoriteiten, terwijl dat wel had gemoeten. De reden die eiser daarvoor heeft gegeven, dat hij de Italiaanse taal niet spreekt en niet wist waar de overheidsgebouwen waren waar hij naartoe kon, acht de staatssecretaris onvoldoende. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt er vanuit gegaan dat Italië als lidstaat van de Europese Unie de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 EVRM en artikel 3 Antifolterverdrag naleeft. Eiser heeft volgens de staatssecretaris niet aannemelijk gemaakt dat dit in zijn geval niet zo is. Nu eiser een verblijfsvergunning asiel in Italië heeft, heeft eiser zodanige band met Italië dat het voor hem redelijk is om naar dat land te gaan. De staatssecretaris heeft daarom de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
Gronden
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat de situatie voor statushouders in Italië vergelijkbaar is met die in Griekenland. Daarnaast betoogt eiser dat de positie van Dublinclaimanten en statushouders in Italië, hoewel zij juridisch onder andere kaders vallen, feitelijk nauw met elkaar verweven zijn. Eiser betoogt dat hij naar Europa is gekomen om internationale bescherming te zoeken, maar ook voor een medische behandeling van zijn verwondingen. Eiser heeft granaatscherven in zijn lichaam die verwijderd dienen te worden. In Italië heeft eiser hiervoor geen medische zorg gehad. Ook heeft hij in het geheel geen hulp gehad van de betrokken instanties bij het vinden van een baan en een woning. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Italië in een situatie terecht komt die strijdig is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM, en beroept zich daarbij op het arrest Ibrahim.
Oordeel van de rechtbank
7. Niet in geschil is dat de Italiaanse autoriteiten aan eiser tot 25 oktober 2026 internationale bescherming hebben verleend.
7.1.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)is reeds omdat een vreemdeling in een lidstaat van de Europese Unie erkend vluchteling is dan wel een subsidiaire beschermingsstatus heeft, voldaan aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Ten aanzien van statushouders in Italië heeft de Afdeling in de uitspraak van 24 juni 2022, bevestigd in de uitspraak van 8 mei 2023 en 27 november 2023, geoordeeld dat, hoewel zij in Italië in moeilijke omstandigheden kunnen verkeren, niet aannemelijk is gemaakt dat de situatie voor statushouders in Italië in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het EU Handvest en dat de staatssecretaris daarom ten aanzien van statushouders van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan
7.2.
De rechtbank overweegt voorts dat uit het arrest Ibrahim volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van een individuele statushouder ertoe kan leiden dat hij bij terugkeer naar de lidstaat waar hij een asielvergunning heeft gekregen, zal terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Deze toestand moet bovendien zijn veroorzaakt door onverschilligheid van de autoriteiten van het land die de status heeft verleend en geheel buiten de schuld van de vreemdeling liggen. Het enkele feit dat de sociale bescherming of de leefomstandigheden gunstiger zijn in de lidstaat waar de statushouder een nieuwe asielaanvraag indient, dan in de lidstaat die hem al een vergunning heeft verleend, is onvoldoende om te concluderen dat hij bij uitzetting naar die laatste lidstaat een reëel risico loopt op schending van artikel 4 van het EU Handvest of artikel 3 van het EVRM.
7.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geconcludeerd dat in dit geval ten aanzien van Italië moet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank overweegt dat statushouders dezelfde rechten hebben als in dit geval Italiaanse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Deze positie brengt met zich dat eiser in beginsel zelf zijn rechten op het gebied van huisvesting en werk in Italië kan en dient te effectueren, eventueel door zich te wenden tot de Italiaanse autoriteiten. Pas als er sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Italiaanse autoriteiten onverschillig zouden staan, kan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.
Hoewel wordt erkend dat uit de verklaringen van eiser volgt dat hij het moeilijk had in Italië, heeft de staatssecretaris terecht geconcludeerd dat uit die omstandigheden niet volgt dat in het algemeen of specifiek in de situatie van eiser sprake is van een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als gevolg van onverschilligheid van de Italiaanse autoriteiten, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim. De belemmeringen in de toegang tot gezondheidszorg waarop eiser terecht heeft gewezen, zijn op zichzelf en in samenhang met de moeilijke positie van statushouders onvoldoende om te concluderen dat bij terugkeer de hoge drempel uit het arrest Ibrahim wordt gehaald. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat niet ten onrechte aan eiser is tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft geprobeerd om zijn rechten als statushouder in Italië te effectueren. Het is niet onredelijk dat de staatssecretaris dit van eiser verwacht, nu het aan eiser is aan te tonen dat de situatie van zeer vergaande materiële deprivatie is of zal ontstaan buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om.
Conclusie
9. De staatssecretaris heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Nieuwenhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 3.106a, tweede en derde lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:219.
Zie onder meer de uitspraak van 19 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253.
ECLI:NL:RVS:2022:1788.
ECLI:NL:RVS:2023:1771.
ECLI:NL:RVS:2023:4374.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1788, r.o. 4.4.