Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:11113
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,577 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/7433 WAJONG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2024 in de zaak tussen
[eiser]
, uit '[woonplaats], eiser
gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder
gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze.
Inleiding
Met het besluit van 3 februari 2023 (het primaire besluit) is de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) door verweerder afgewezen.
Met het besluit van 27 september 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2024 op zitting behandeld. Ter zitting zijn verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn vader, en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
1. Eiser, geboren op [geboortedag] 1997, is in 2015 18 jaar geworden. Eiser heeft op 17 oktober 2022 een zogenoemde laattijdige aanvraag tot het toekennen van een Wajong-uitkering gedaan. Eiser had eerder, op 25 oktober 2017 en 19 februari 2020, eenzelfde aanvraag gedaan. In verband met de meest recente aanvraag heeft eiser aangevoerd dat bij hem sprake is van depressie, vermoeidheid en pijn in het lichaam en de gewrichten. Volgens eiser is het evident dat het voorgaande al rond zijn 18e levensjaar aanwezig was.
2. De aanvraag van eiser is met het primaire besluit afgewezen. De primaire verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en de ingebrachte medische informatie bestudeerd. In het verslag verwijst de primaire verzekeringsarts naar een eerder medisch onderzoek naar aanleiding van de aanvraag in 2017, tijdens dit onderzoek is eiser op een fysiek spreekuur gezien.
3. Ten tijde van dat onderzoek is geconcludeerd dat eiser tijdelijk geen arbeidsvermogen had in verband met depressieve klachten waarvoor hij nog werd behandeld. De verzekeringsarts verwijst naar het medische onderzoek van 2020, waarbij arbeidsvermogen is vastgesteld ondanks de bekendheid met juveniele reumatoïde artritis. In het onderzoeksverslag van 2 februari 2023 concludeert de verzekeringsarts dat, behalve het herhalen van bovenstaande bekende klachten, geen nieuwe diagnoses, behandelingen of redenen gegeven zijn om aan te nemen dat de belastbaarheid ten opzichte van de eerdere beoordeling significant veranderd is. Zodoende zijn er geen redenen om de voorgaande beoordeling in het kader van de Wajong te herzien en te oordelen dat eiser geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie had of heeft.
4. In het bestreden besluit handhaaft verweerder het standpunt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) benoemt dat eiser in 2021 een aanvullend onderzoek naar Obstructief Slaapapneu Syndroom (OSAS) heeft laten doen maar dat geen verdere behandeling plaats vindt. Dat eiser vanaf 2021 bekend is met astmatische bronchitis zal niet meer dan lichtelijke beperkingen opleveren ten aanzien van de fysieke omgevingseisen. Beide constateringen leiden niet tot het aannemen van duurzame arbeidsbelemmeringen.
Beoordeling
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Juridisch kader
Ingevolge artikel 1a:1, eerste lid onder a, Wajong 2015 is een jonggehandicapte de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.
Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht).
Dit betekent dat aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moet worden beoordeeld of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd. Feiten of omstandigheden waarvan zonder meer duidelijk is dat ze geen rol kunnen spelen bij het besluit worden niet als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden beschouwd.
6.1
De rechtbank overweegt als eerste dat zij bij de toets of sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden in de onderhavige zaak een vergelijking maakt tussen de thans gestelde feiten en omstandigheden en de beoordeling van verweerder in 2020. Weliswaar is ter zitting zijdens verweerder toegelicht dat verweerder ook heeft teruggekeken naar 2017, maar nu in dat geval sprake was van een tijdelijke situatie van geen arbeidsvermogen en nadien, in 2020, een beoordeling heeft plaatsgevonden waarbij wel arbeidsvermogen is aangenomen, neemt de rechtbank deze beoordeling bij de toets als uitgangspunt.
6.2
De rechtbank overweegt voorts dat in het kader van de herbeoordeling in 2020 is vastgesteld dat eiser ten minste 4 uur per dag belastbaar is en 1 uur achtereen kan werken. In het arbeidsdeskundig onderzoek is vastgesteld dat belanghebbende arbeidsvermogen heeft.
6.3
De rechtbank overweegt verder dat de door eiser gestelde gezondheidsklachten, waaronder de apneu en astmatische bronchitis niet in geschil zijn. In geschil is of, ook met deze diagnoses, in de situatie van eiser ten opzichte van de beoordeling van 19 februari 2020 sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
6.4
De rechtbank stelt vast dat zowel de slaapapneu, benoemd als slaapstoornis, als de astmatische bronchitis reeds zijn betrokken in de beoordeling zoals blijkt uit de medische onderzoeksverslagen van de verzekeringsartsen van 11 mei 2023 en 25 september 2023. Zodoende wordt geen aanleiding gezien om de diagnoses aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid en kunnen deze dan ook niet leiden tot een ander besluit.
Aanvullende stukken hangende beroep
7.1
Eiser heeft hangende beroep een aanvullend medisch stuk ingediend van internist/reumatoloog Riyazi van 18 januari 2024 waaruit blijkt dat de diagnose fibromyalgie is gesteld, waar eerder werd gesteld dat sprake was van de ziekte van Still en juveniele reumatoïde.
7.2
Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat met de diagnose verwezen wordt naar de al bij verweerder bekende (pijn)klachten, de diagnose zou hier slechts een verklaring van zijn. De rechtbank stelt vast dat de klachten die hierbij horen, zijnde pijnklachten in de gewrichten, spieren en botten, zijn betrokken in de beoordeling zoals blijkt uit de medische onderzoeksverslagen van de verzekeringsartsen van 6 november 2020, 2 februari 2023 en 25 september 2023. Zodoende wordt geen aanleiding gezien om de diagnose aan te merken als een nieuw feit of veranderde omstandigheid en kan dit dan ook niet leiden tot een ander besluit.
7.3
Eiser heeft ten slotte een aanvullend medisch stuk ingediend van optometrist Van Tuil van 6 oktober 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding de in dit stuk benoemde keratoconus met centrale verlittekening aan te merken als nieuw feit of veranderde omstandigheid, nu enerzijds niet is gebleken van een al eerder bestaande omstandigheid waarvan het bestaan niet eerder benoemd of het bewijs niet eerder overgelegd had kunnen worden, noch van een nieuwe medische gegevens die, gelet op de datum van de verklaring van de optometrist, de beoordeling in 2020 had moeten herzien.
Conclusie
8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Verweerder heeft terecht en op goede gronden de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering afgewezen, althans de eerdere afwijzing niet herzien.
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.R. Veili, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de CRvB van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1.