Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:11081
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,709 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27387
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2024 in Breda op zitting behandeld. Eiser is via een videoverbinding verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Ikar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Somalische nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel staan als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
3j. aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen, en zijn aanvraag met toepassing van de grensprocedure niet in behandeling is genomen, niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Ter zitting heeft verweerder de lichte gronden 4a en 4d laten vallen.
4. Eiser voert tegen de zware grond 3a aan dat hij niet wist dat hij in het bezit moest zijn van een visum en dat het paspoort via een reisagent is geregeld. Het kan daarom niet aan hem worden toegerekend dat hij niet beschikt over het vereiste visum. Verder betwist eiser zware grond 3c. Hem is namelijk niet verteld dat hij Nederland diende te verlaten. Hierbij wijst hij er op dat er in de periode tussen het afwijzen van zijn asielaanvraag en het opleggen van de maatregel geen vertrekgesprekken met hem zijn gevoerd. Als hij hier wel van op de hoogte was geweest, was hij zelfstandig vertrokken. Bovendien heeft zijn eerdere advocaat hem aangeraden bewijzen te verzamelen om aan te kunnen tonen dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Eiser betwist ook zware grond 3e. Hij heeft namelijk meteen aangegeven dat hij de Somalische nationaliteit heeft en niet de Keniaanse. Er zijn ook voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat hij de Somalische nationaliteit heeft. Daarnaast wordt zware grond 3i betwist. Hij heeft weliswaar verklaard niet terug te willen keren naar Kenia, maar hij wil wel meewerken aan een terugkeer naar Somalië. Tot slot had kunnen worden volstaan met een lichter middel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldig visum. Daarmee is de zware grond 3a feitelijk juist en mocht verweerder deze grond aan eiser tegenwerpen. Dat eiser niet wist dat hij over een visum moest beschikken maakt dit niet anders. Verder heeft eiser niet betwist dat hij het terugkeerbesluit of de ongegrondverklaring van het beroep daartegen heeft ontvangen. De feitelijke juistheid van zware grond 3c staat daarmee ook vast. De stelling dat hij niet wist dat hij moest vertrekken leidt dan ook niet tot een geslaagd beroep. Verder zijn de zware grond 3j en de lichte grond 4c niet betwist door eiser. Er zijn daarom voldoende gronden die de maatregel van bewaring kunnen dragen en om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
6. In de maatregel is voldoende gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is toe te passen. De enkele stelling dat eiser zelfstandig kan vertrekken, omdat hij voldoende middelen heeft om zijn vlucht te betalen is onvoldoende om het risico op onderduiken te kunnen ondervangen. Daarbij is van belang dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard dat hij niet voornemens is terug te gaan naar Kenia of Somalië.
7. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enige moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Proces-verbaal van gehoor, pagina 5.
Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en – in aansluiting hierop – ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.