Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:11036
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14041
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
In het besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hierin is meegedeeld dat eisers tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG eindigt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb.
Overwegingen
1. Er kan op een beroep worden beslist zonder een zitting te houden als sprake is van een kennelijke uitkomst. Dit staat in artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Deze situatie doet zich hier voor gelet op het volgende.
2. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vw bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken. Eiser heeft het beroep echter pas op 29 maart 2024 en daarmee (ruimschoots) buiten de termijn van vier weken ingediend.
3. Niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met andere woorden: beoordeeld moet worden of de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Er zijn in dit geval geen redenen aanwezig om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. Eiser heeft in dat verband aangevoerd dat de Afdeling prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof. Als de vragen van de Afdeling bevestigend worden beantwoord volgt daaruit mogelijkerwijs dat verweerder geen bevoegdheid had om het verblijfsrecht van eiser te beëindigen. Eiser beroept zich daarnaast op het loyaliteitsbeginsel en meent dat daaruit voortvloeit dat aan hem niet kan worden tegengeworpen dat hij te laat beroep heeft ingesteld.
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank ziet evenmin redenen om aan te nemen dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De omstandigheid dat door de Afdeling in de zaak van een andere vreemdeling prejudiciële vragen zijn gesteld leidt er niet toe dat de overschrijding van de beroepstermijn niet aan eiser kan worden toegerekend. Immers niet valt in te zien waarom van eiser niet zou mogen worden verwacht om zich op tijd tot de rechtbank te wenden als hij het niet eens is met een aan hem bekend gemaakt besluit. Het voorgaande geldt ook voor het beroep van eiser op het Unierechtelijk loyaliteitsbeginsel.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht.
Vreemdelingenwet 2000.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het Europees Hof van Justitie.