Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:11029
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,252 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27898
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Blijdorp),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 10 april 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 15 juli 2024.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1990.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al meermalen heeft getoetst. Uit de laatste uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 mei 2024 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 27 mei 2024.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije. Er wordt niet gereageerd op rappels en het is onduidelijk of er overleg plaatsvindt met de vertegenwoordiging van Algerije, wanneer presentaties plaatsvinden en hoe lang het duurt voordat een lp wordt afgegeven, nadat de presentatie heeft plaatsgevonden. Verder is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten zeer summier medewerking verlenen aan de afgifte van een lp. Tot slot werkt verweerder niet voldoende voortvarend aan de uitzetting.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Allereerst oordeelt de rechtbank dat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.
6. Voor eiser is op 9 april 2024 een lp-aanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. Hierbij is van belang dat bij de aanvraag een kopie van eisers paspoort is overhandigd op 18 april 2024. Dat er nog geen presentatie is gepland en ondanks meerdere rappels er nog geen reactie van de Algerijnse autoriteiten is gekomen, zodat er onduidelijkheid bij eiser bestaat over de termijn waarbinnen kan worden gepresenteerd en of een reactie is te verwachten, is daarvoor onvoldoende. Meegewogen wordt dat uit de vertrekgesprekken blijkt dat eiser weigert zijn medewerking te verlenen. De langere duur van het lp-traject komt daarmee ook voor risico van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Uit het voortgangsrapport blijkt verder dat er regelmatig rappels worden verzonden naar de Algerijnse autoriteiten en dat er ook regelmatig vertrekgesprekken worden gevoerd met eiser. Daaruit volgt dat verweerder ook voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op welke manier verweerder contact opneemt met de Algerijnse autoriteiten, is hierbij niet van belang.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2024 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
. ECLI:NL:RBDHA:2024:8336.
Laissez-passer.
Met name de vertrekgesprekken van 4 juni 2024 en van 2 juli 2024.