Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:11019
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
850 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27235
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Agayev),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft op 17 maart 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 11 juli 2024 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1996.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 mei 2024.
4. Eiser voert aan dat er geen redelijk zicht op uitzetting is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Uit het voortgangsrapport dat is opgesteld op 8 juli 2024 blijkt dat op 27 mei en 1 juli 2024 vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser, op 13 juni 2024 en 28 juni 2024 zijn presentaties gepland en op 2 juli is voor eiser een vlucht naar Nigeria aangevraagd. De geplande vertrekdatum is 18 juli 2024. Gelet hierop heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld aan het vertrek van eiser.
6. Gelet op vertrekdatum van de geplande vlucht is er ook een redelijk zicht op uitzetting.
7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juli 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitspraak van 22 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6304, uitspraak van 27 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8364.