Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-01-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:1101
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Verzet
1,428 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.24789 V en NL23.39150
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet en de voorzieningenrechter in de zaken van
[opposant]
, opposant
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga).
Procesverloop
Opposant heeft tegen de beslissing van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 28 augustus 2023 (het bestreden besluit) beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 10 november 2023 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet (met zaaknummer NL23.24789) ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening (met zaaknummer NL23.39150).
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder de aanvraag van opposant terecht niet in behandeling heeft genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), omdat op grond van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep ongegrond is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Opposant is dan ook verbaasd met de recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Zo blijkt de brief van 15 november 2022, waarin de Kroatische autoriteiten beweren dat zij nog nooit asielzoekers hebben uitgezet naar derde landen zonder dat hun aanvraag is beoordeeld of voordat hun procedure is beëindigd, aantoonbaar onjuist te zijn. De Kroatische autoriteiten melden bovendien dat zij geen verschil hanteren in de behandeling tussen Dublinclaimanten en asielzoekers die vanuit een derde land binnenkomen. Aangezien er sprake is van (gedocumenteerde) pushbacks door de Kroatische autoriteiten bij asielzoekers die vanuit een derde land binnenkomen, kan eiser hieruit concluderen dat een Dublinclaimant eenzelfde vernederende behandeling te beurt kan vallen. Opposant zal in Kroatië als Dublinclaimant dan ook een reëel risico lopen op pushbacks. Hij wijst erop dat een aantal rechtbanken bepaald niet onder de indruk was van de recente uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 13 september 2023. Tot slot zou verweerder aan eiser moeten verzekeren dat hij in Kroatië behandeld zal worden voor zijn medische aandoeningen. Uit een AIDA-rapport blijkt namelijk dat er voor asielzoekers slechts beperkte toegang is tot gezondheidszorg.
De verzetrechter overweegt als volgt.In wat opposant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak 10 november 2023, nu het grotendeels een herhaling van het aangevoerde in beroep is. De rechtbank is in die uitspraak op de beroepsgronden ingegaan en heeft een gemotiveerd oordeel gegeven waarom het beroep kennelijk ongegrond is. Dat opposant het niet eens is met de inhoud van de uitspraak is onvoldoende om het verzet gegrond te verklaren. Verder heeft opposant geen gronden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zich na de uitspraak van de rechtbank nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die zich tegen uitzetting naar Kroatië verzetten. De enkele verwijzing naar de uitspraken van de zittingsplaatsen Haarlem en ’s-Hertogenbosch en de toelichting van Vluchtelingenwerk Nederland op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 13 september 2023 maakt dit oordeel niet anders. Het is namelijk aan deze rechtbank een eigen oordeel te vormen over het geschil dat hier aan de orde is.
Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 10 november 2023. Over de uitkomst van het beroep bestaat geen twijfel. Dat betekent dat de buiten-zitting uitspraak in stand blijft. Het verzet is ongegrond.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank in de zaak NL23.24789, verklaart het verzet ongegrond.
Het verzoek om een voorlopige voorziening, in de zaak NL23.39150, wordt niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het verzet.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3411.
Zie de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 11 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:15489 en van 10 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:18085 en de uitspraken van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 27 oktober 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5139 en van 8 november 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5287.