Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-15
ECLI:NL:RBDHA:2024:10930
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,040 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.18548
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Venezolaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.P. Dayala)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
Inleiding
Bij aparte besluiten van 3 april 2024 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit (bestreden besluit 1) en een inreisverbod voor de duur van twee jaar (bestreden besluit 2) opgelegd.
Eiser heeft tegen de beide besluiten beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 juni 2024, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit het beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Overwegingen
Bestreden besluit 1
1. Bij besluit van 23 oktober 2017 is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. In dit besluit is geen land van terugkeer vermeld.
2. In bestreden besluit 1 heeft de minister opgenomen dat de terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zich zullen richten op Venezuela.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de oplegging van het aanvullende terugkeerbesluit in strijd is met de artikelen 4 en 8 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser is eerder in het bezit geweest van een verblijfsvergunning en heeft gezinsleven opgebouwd met zijn huidige partner. Ook heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging gemaakt. Voorts is het aanvullende terugkeerbesluit in strijd met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.
4. In de uitspraak van 2 juni 2021 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder verwijzing naar het arrest FMS van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 mei 2020, overwogen dat in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld. Het is in dit kader niet zonder meer vereist dat in het terugkeerbesluit een uitdrukkelijke opdracht aan de vreemdeling wordt opgenomen om naar een derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het terugkeerbesluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk derde land hij dient terug te keren of, als hij niet aan zijn vertrekplicht voldoet, door de minister zal worden uitgezet.
5. De rechtbank stelt vast dat het bij meeromvattend besluit van 23 oktober 2017 aan eiser opgelegde terugkeerbesluit geen uitdrukkelijke opdracht aan eiser bevat om naar Venezuela terug te keren. Wel volgt uit het besluit dat wordt uitgegaan van de Venezolaanse nationaliteit van eiser. Voorts is bepaald dat eiser Nederland dient te verlaten. In het besluit op bezwaar van 30 juli 2021 wordt Venezuela wel uitdrukkelijk genoemd als land waarnaar eiser dient terug te keren. Met de uitspraak van 17 maart 2022 van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, is het terugkeerbesluit in rechte komen vast te staan. Uit het voorgaande volgt dat er na de oplegging van het eerste terugkeerbesluit bij meeromvattend besluit van 23 oktober 2017 en de uitwerking daarvan in het besluit op bezwaar van 30 juli 2021 geen enkel moment onduidelijkheid heeft bestaan over het land waarheen eiser moet terugkeren (namelijk Venezuela).
6. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het terugkeerbesluit van 23 oktober 2017 met de uitwerking daarvan in het besluit op bezwaar van 30 juli 2021 voldoet aan het uit het arrest FMS voortvloeiende vereiste dat in het terugkeerbesluit het land van herkomst moet worden vermeld. Nu er dus geen onduidelijkheid bestond over het land waar eiser naar dient terug te keren, roept het aanvullend terugkeerbesluit geen andere rechtsgevolgen in het leven dan het terugkeerbesluit van 23 oktober 2017.
7. Dit betekent dat het aanvullend terugkeerbesluit geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 8:1 van de Awb beroep kan worden ingesteld. De rechtbank is om die reden onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden die eiser tegen het aanvullend terugkeerbesluit heeft aangevoerd.
Bestreden besluit 2
8. De minister heeft in bestreden besluit 2 vermeld dat eiser een inreisverbod zoals bedoeld in artikel 66a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt opgelegd, omdat hij niet uit eigen beweging binnen de gestelde termijn Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland heeft verlaten. Eiser is op 23 oktober 2017 een terugkeerbesluit opgelegd waaraan hij geen gehoor heeft gegeven. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die maken dat van het opleggen van het inreisverbod zou moeten worden afgezien. Het opleggen van het inreisverbod is volgens de minister evenmin in strijd met artikel 8 van het EVRM.
9. Volgens zijn beleid in paragraaf A4/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vaardigt de minister geen inreisverbod uit als dat een schending van artikel 8 van het EVRM betekent. Bij het besluit tot het uitvaardigen van een inreisverbod weegt de minister artikel 8 EVRM-aspecten mee. Eiser heeft in het gehoor naar voren gebracht dat hij een partner heeft die rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Een inreisverbod zal hem beletten een visum kort verblijf aan te vragen om haar te bezoeken en daarmee wordt hij beperkt in zijn mogelijkheden tot het uitoefenen van gezinsleven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in bestreden besluit 2 deugdelijk gemotiveerd dat deze omstandigheid niet leidt tot het afzien van het opleggen van het inreisverbod. Zo kan de minister gevolgd worden in diens standpunt dat de oplegging beantwoordt aan het door de wetgever beoogde doel, zijnde een sanctie vanwege illegaal verblijf. Voorts stelt de minister terecht dat het mogelijk is om het recht op gezinsleven door middel van een kort verblijf op een andere wijze in te vullen en voor zover eiser langdurig verblijf beoogt, hij een daartoe strekkende aanvraag kan indienen. Als eiser blijkt te voldoen aan alle voorwaarden voor toelating voor dat doel, zal het inreisverbod ambtshalve worden opgeheven. Eisers beroepsgronden slagen dus niet.
Conclusie
10. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen bestreden besluit 1. Het beroep gericht tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
- zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit;
- het beroep gericht tegen het inreisverbod ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zaak NL24.18551
ECLI:NL:RVS:2021:1155.
ECLI:EU:C:2020:367.
ECLI:NL:RBAMS:2022:1490.