Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-05
ECLI:NL:RBDHA:2024:10918
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,213 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.3519
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
en haar minderjarige zoon [zoon 1], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de Minister van Asiel en Migratie (dan wel diens rechtsvoorgangers), verweerder (gemachtigde: mr. S. Zuithoff).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres stelt van Azerbeidzjaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1980]. Zij heeft op 5 december 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, mede ten behoeve van haar minderjarige zoon, geboren op [2007]. De minister heeft met het bestreden besluit van 31 januari 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de beroep van haar echtgenoot [echtgenoot] met zaaknummer NL24.3518 en haar zoon [zoon 2] met zaaknummer NL24.3514 op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S. Alizadeh als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiseres beroept zich op de problemen van haar echtgenoot.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Betrokkene heeft verklaard dat haar echtgenoot problemen heeft gekregen met de Azerbeidzjaanse autoriteiten en uiteindelijk strafrechtelijk is vervolgd.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de verklaringen van eiseres over haar identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. Het tweede relevante element wordt ongeloofwaardig geacht en verwijst daartoe naar het besluit van haar echtgenoot. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Heeft eiseres te vrezen door de gestelde problemen van haar man?
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen eigen asielmotieven naar voren heeft gebracht. Ook heeft zij geen beroepsgronden aangevoerd tegen het bestreden besluit en heeft zij verwezen naar de zaak van haar echtgenoot.
7. Bij uitspraak van vandaag in zaak NL24.3518 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de aanvraag van de echtgenoot van eiseres heeft mogen afwijzen als ongegrond. Omdat het asielrelaas van eiseres geheel samenhangt met het asielrelaas van haar echtgenoot is de rechtbank van oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres ook heeft mogen afwijzen.
Conclusie
8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr.
M.M. van Luijk - Salomons, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
05 juli 2024
Documentcode: [documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.