Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-12
ECLI:NL:RBDHA:2024:10913
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,674 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.230
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann)
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. E. Özel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 13 september 2021 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 december 2023 deze aanvraag afgewezen. Bij dat besluit heeft de minister ook bepaald eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en/of uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.
1.1.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister, de gemachtigde van eiser en eiser hebben deelgenomen aan de zitting.
Beoordeling
2. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Guinee-Bissause nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag Eiser is toen hij drie jaar oud was met zijn moeder gevlucht vanuit Guinee-Bissau naar Gambia, nadat zijn vader was ontvoerd en vermoord omdat hij lid was van de Balante en de Papel rebellen. In 2014 is eiser uit Gambia gevlucht. Eiser is namelijk homoseksueel en in Gambia wordt dit niet geaccepteerd. Eiser was altijd met dezelfde groep (homoseksuele en lesbische) vrienden op het strand van [gebied] . Eén van zijn vriendinnen is mishandeld en gepakt door haar buren, waarna zij is meegenomen door de politie, als gevolg van haar seksuele gerichtheid. Deze gebeurtenis was een directe aanleiding voor eiser om te vluchten uit Gambia, omdat hij bang was dat de autoriteiten ook achter zijn seksuele gerichtheid zouden komen. Eiser geeft aan dat de situatie in Guinee-Bissau vergelijkbaar is en hij vreest bij terugkeer ook daar vervolgd en mishandeld te worden als gevolg van zijn seksuele gerichtheid, zeker omdat hij zich ook vrouwelijk wenst te uiten. Eiser kan ook niet terugkeren naar Guinee-Bissau, omdat hij daar herkend zal worden als de zoon van zijn vader waardoor hij naar de Balante rebellen gebracht zal worden
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de relevante elementen (1) identiteit, nationaliteit en herkomst en (2) homoseksuele gerichtheid.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Dit betekent dat de minister uitgaat van eisers Guinee-Bissause nationaliteit en dat de minister beoordeelt of eiser naar dat land kan terugkeren. De homoseksuele gerichtheid van eiser acht de minister ook geloofwaardig. De vrees voor vervolging in Guinee-Bissau op grond van zijn homoseksuele gerichtheid acht de minister echter niet aannemelijk. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de wens heeft zich vrouwelijk te uiten en dit in de praktijk wil uitvoeren. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dergelijke uitingen in Guinee-Bissau zouden leiden tot vervolging. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Als laatste heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Guinee-Bissau een reëel risico loopt op ernstige schade wegens de activiteiten van zijn vader bij de rebellen. Dat betekent dat eiser ook geen verblijfsvergunning asiel krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
Heeft de minister het terecht niet aannemelijk geacht dat eiser in Guinee-Bissau problemen zal ondervinden als gevolg van zijn homoseksuele gerichtheid?
5. Eiser betoogt dat hij in Guinee-Bissau wel degelijk problemen zal ondervinden als gevolg van zijn homoseksuele gerichtheid. Daartoe voert hij aan dat van algemene bekendheid mag worden geacht dat de door eiser in de zienswijze genoemde stammen islamitisch zijn en deze homoseksualiteit niet tolereren. Dat er geen expliciete anti-homowetten zijn in Guinee-Bissau, maakt dat volgens eiser niet anders. Eiser wijst hierbij op een bericht van Deutsche Welle van 20 juli 2020 over een twintigjarige homoseksuele man die al sinds zijn kindertijd geweld en discriminatie ervaart wegens zijn gerichtheid, hetgeen niet door de minister is betwist. Alles in samenhang bezien, is de gestelde vrees meer dan aannemelijk, aldus eiser.
5.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Guinee-Bissau moet vrezen voor vervolging als gevolg van zijn homoseksuele gerichtheid. Gelet op de algemene informatie over de positie van LHBTI in Guinee-Bissau die er is, en die de minister ook bij de beoordeling heeft betrokken, en de verklaringen van eiser, is niet gebleken dat in geval van eiser sprake is van situaties zoals bedoeld in artikel 3.36 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De minister wijst daarbij op het landenrapport van de US Department of State en op een nieuwsbericht van Reuters. Uit al deze informatie heeft de minister terecht geconcludeerd dat er geen anti-homowetten zijn in het land, de overheid zich ook inzet om discriminatie van homoseksuelen tegen te gaan en dat dit zijn vruchten afwerpt. Ook blijkt uit de aangehaalde berichtend dat NGO’s die zich inzetten voor de positie van homoseksuelen actief zijn in het land. In onder meer het artikel van Reuters wordt opgemerkt dat de situatie in Guinee-Bissau afwijkt van die in omliggende landen zoals Gambia. De stelling van eiser dat het in Guinee-Bissau even erg zal zijn als in Gambia slaagt dus niet. Eiser heeft ook geen objectieve bronnen of algemene landeninformatie ingebracht die dit tegenspreken. De enkele stelling van eiser dat er islamitische stammen aanwezig zijn in Guinee-Bissau die homoseksualiteit niet accepteren is niet voldoende, omdat deze niet is onderbouwd. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat op grond van de enkele bron die eiser heeft aangevoerd, waarin een twintigjarige homoseksuele man aangeeft geweld te hebben ervaren wegens zijn gerichtheid, niet kan worden geconcludeerd dat er in Guinee-Bissau sprake is van systematische intolerantie jegens- en/of discriminatie van - mensen uit de LHBTI-gemeenschap.
Heeft de minister niet ten onrechte de wens van eiser om zich vrouwelijk te gedragen ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte niet volgt in zijn wens om zich vrouwelijk te gedragen. Hij voert in dat verband aan dat zijn wens om zich vrouwelijk te gedragen onlosmakelijk is verbonden met zijn seksuele gerichtheid, die geloofwaardig is geacht. Hij heeft deze wens met zijn verklaringen tijdens het nader gehoor aannemelijk gemaakt en in de zienswijze naar voren gebracht dat hij zich nog niet voldoende veilig voelt om zich nu in Nederland te gedragen als vrouw. Zijn verklaringen zijn volgens eiser niet voldoende meegewogen in de besluitvorming. De minister heeft daardoor niet in lijn gehandeld met het Informatiebericht 2020/62, waaruit volgt dat de geloofwaardigheid moet worden beoordeeld aan de hand van de eigen verklaringen van eiser. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 september 2021 wordt volgens eiser ook bevestigd dat het uitgangspunt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling bij LHBTI de eigen verklaringen van eiser het referentiekader is. Eiser voert aan dat hij met betrekking tot zijn wens om zich als een vrouw te gedragen, onder de gegeven omstandigheden tenminste het voordeel van de twijfel verdient. De ‘toetsing aan de ondergrens’ die de minister in dit geval heeft gehanteerd, is volgens eiser een onjuiste en onzorgvuldige maatstaf. Daarnaast heeft de minister volgens eiser onterecht gesteld dat dergelijke uitingen niet per se leiden tot vervolging, eiser heeft toegelicht waarom hij bij terugkeer in Guinee-Bissau problemen zal ondervinden.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De rechtbank zal in het midden laten of de minister zich terecht en goed gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser zich bij terugkeer naar Guinee Bissau daadwerkelijk vrouwelijk zal willen gedragen. De minister betwijfelt dat omdat eiser zich in verleden ook nooit vrouwelijk heeft geuit, zelfs niet in Nederland terwijl dat hier in beginsel veilig mogelijk is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister de asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Steenbeek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
DW, Jovem que teve rosto cortado denuncia homophobia em Bissau, 20 juli 2020.
US Department of State, 2022 Country reports on human rights practices: Guinea-Bissau, 20 maart 2023.
Reuters, Guinea-Bissau’s ‘Big Mama’s advance gray pride in conservative West Africa, 13 maart 2019.
ABRvS 2 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1982.
Eiser verwijst hierbij naar artikel 31, zesde lid, Vw 2000
IB 2020/62 Vrees voor vervolging op grond van het Vluchtelingenverdrag.
Pagina 6.