Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-08
ECLI:NL:RBDHA:2024:10902
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,051 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/667575 / JE RK 24-1057
Datum uitspraak: 8 juli 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van:
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over:
[de minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2007 in Baghdad,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat: mr. B. Beekman te Noordwijk.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 10 juni 2024;
de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 1 juli 2024;
het gewijzigde verzoekschrift met bijlage, ontvangen op 5 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door A. Toma, een tolk in de Arabische taal;
- [naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
[de minderjarige] en de vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat [de minderjarige] en de vader wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
Het huwelijk van de vader en de moeder is door echtscheiding ontbonden.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.3.
[de minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij [jeugdinstelling] in Alphen aan den Rijn.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 januari 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 9 januari 2025 en een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 9 januari 2024 tot 9 juli 2024.
3Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt een machtiging om [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van drie maanden.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek schriftelijk en ter zitting als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] heeft de afgelopen periode een positieve ontwikkeling laten zien op de groep en op school. [de minderjarige] kan zich beter aan afspraken houden en haar houding op school is ook sterk verbeterd. [de minderjarige] is ook in staat om te reflecteren op haar gedrag. Er is een hulpverlener van Sagesse Jeugdhulp betrokken die werkt aan de communicatie tussen [de minderjarige] en het gezin in de thuissituatie van de moeder en met name de moeder zelf. De verlofmomenten en de momenten naar huis zijn de afgelopen periode uitgebreid. De gecertificeerde instelling beschouwt komende periode als een wenperiode. [de minderjarige] heeft er belang bij om vanuit een stabiele situatie naar huis toe te werken, met intensivering van haar verloven. Er is nog meer tijd nodig om te voorkomen dat oude patronen zich herhalen. De moeder zal nog meer vertrouwen in [de minderjarige] moeten krijgen en haar vrijheden moeten geven die bij haar leeftijd passen. [de minderjarige] moet nog werken aan de acceptatie van het gezag van haar moeder en zich beter leren houden aan gemaakte afspraken. De gecertificeerde instelling is van mening dat een overplaatsing naar een open groep niet in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] heeft hier geen motivatie voor. Daarnaast gaat om een nieuwe omgeving en verblijven er mogelijk jongeren die niet de beste invloed op [de minderjarige] zullen hebben.
4De standpunten
4.1.
De moeder stemt in met het verzoek. Zij brengt naar voren dat [de minderjarige] op de ochtend van de zitting is weggelopen met een vriendin. [de minderjarige] is niet bereikbaar en het is onduidelijk waar zij is. De moeder maakt zich zorgen.
4.2.
De advocaat van [de minderjarige] heeft het volgende ter zitting naar voren gebracht. [de minderjarige] wil graag naar huis en liever niet naar een open groep. De advocaat van [de minderjarige] heeft [de minderjarige] in de week voorafgaand aan de zitting gesproken. [de minderjarige] stond toen achter het plan om vanuit de gesloten groep toe te werken naar huis. [de minderjarige] wilde echt niet meer van groep veranderen. Omdat [de minderjarige] er nu niet is en de situatie mogelijk gewijzigd is refereert de advocaat van [de minderjarige] zich naar het oordeel van de kinderrechter.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw)).
5.2.
De kinderechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] heeft de afgelopen periode goede stappen heeft gezet. [de minderjarige] laat een positieve ontwikkeling zien op de groep en op school. Daarnaast zetten [de minderjarige] en de moeder zich in voor de hulpverlening om aan hun onderlinge relatie te werken. Het is op dit moment nog te vroeg voor een volledige terugkeer van [de minderjarige] naar de thuissituatie van de moeder. Het wegloopincident van vanochtend bevestigt dit. Het is belangrijk dat de hulpverlening voor [de minderjarige] en de moeder de komende periode wordt voortgezet. Het gaat om een complex systeem en het is belangrijk dat de patronen daadwerkelijk doorbroken worden, zodat het ook op de lange termijn goed zal blijven gaan. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij vanuit de voor haar veilige setting van [jeugdinstelling] kan gaan toewerken naar een steeds langer verblijf thuis.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de machtiging voor een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen, en wel voor de periode van drie maanden. De kinderrechter merkt daarbij op dat van de machtiging uiteraard slechts gebruik hoeft te worden gemaakt zolang dat nodig is.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging om [de minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 9 juli 2024 tot 9 oktober 2024.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2024 door mr. M.F. Baaij, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Smolders als griffier, en op schrift gesteld op 10 juli 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.