Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:10836
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,434 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingslijst Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25961
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder,
(gemachtigde: [naam]).
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op
1 juli 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 4 juli 2024 een
verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 4 juli 2024 het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1994 en de Braziliaanse nationaliteit te hebben.
2. Eiser wijst erop dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en stelt dat verweerder
binnen 48 uur de grondslag van de maatregel van bewaring had moeten wijzigen. Verweerder heeft de maatregel te laat omgezet. Eiser is daarbij van mening dat dit geval niet valt onder het bereik van de prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof bij de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2024. Verder stelt eiser dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is, omdat hij vanaf 24 juni 2024 strafrechtelijk gedetineerd had moeten worden. Het vonnis waaruit volgt dat hij een straf van 38 dagen moest uitzitten is onherroepelijk geworden op 22 juni 2024. Eiser stelt dat de strafrechtelijke detentie binnen 48 uur moest aanvangen. Ook stelt eiser dat hij zijn asielaanvraag heeft ingetrokken gelet op zijn wens om zo spoedig mogelijk terug te keren, dan wel te willen vertrekken, naar Brazilië. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft eiser dit ook verklaard. Verweerder had moeten volstaan met de oplegging van een minder verstrekkende maatregel.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3. In dit beroep wordt alleen de rechtmatigheid beoordeeld van de maatregel die op 24 juni 2024 aan eiser is opgelegd. Dat de eerder op 9 juni 2024 opgelegde maatregel van
bewaring volgens eiser niet tijdig is opgeheven en omgezet staat in deze procedure niet ter beoordeling. Eiser had dit kunnen aanvoeren door bijvoorbeeld een vervolgberoep in te
dienen tegen de maatregel van bewaring van 9 juni 2024.
4. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn stelling dat de maatregel van bewaring uiterlijk op 24 juni 2024 had moeten worden omgezet in strafrechtelijke detentie. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke detentie is niet de verantwoordelijkheid van verweerder.
5. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd in beroep niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, zodat het risico op onttrekking reeds daarmee is gegeven.
6. Dat deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, bij uitspraak van 22 juni 2021 heeft geoordeeld dat bij een voorgaande maatregel van bewaring het lichter middel onvoldoende was gemotiveerd, maakt niet dat nu ook sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder heeft in de huidige maatregel van bewaring voldoende en uitgebreid gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Eisers verklaringen en persoonlijke omstandigheden zijn daarbij meegewogen. Dat eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken en tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel heeft verklaard naar Brazilië te vertrekken als het echt niet anders kan, is onvoldoende om een lichter middel toe te passen. Hij heeft namelijk ook duidelijk gemaakt dat hij idealiter naar Portugal vertrekt. Hij heeft daarmee te kennen gegeven geen gevolg te willen geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Die verplichting ziet immers op een terugkeer naar Brazilië, niet naar Portugal. Het toepassen van een lichter middel zal dan ook niet leiden tot het gewenste resultaat, een terugkeer naar Brazilië.
7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juli 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vreemdelingenwet 2000.
Hof van Justitie van de Europese Unie.
ECLI:NL:RBDHA:2024:8499.
ECLI:NL:RBOVE:2021:2534.