Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-11
ECLI:NL:RBDHA:2024:10796
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
969 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/4876
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2024 in de zaak tussen
[naam] , verzoekster
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en
de minister van Asiel en Migratie (voorheen: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. Met het besluit van 22 februari 2022 heeft de minister de aanvraag van verzoekster om verlening van een EU-verblijfsdocument voor bepaalde tijd op grond van het Terugtrekkingsakkoord, afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 juli 2022 heeft de minister het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/4875. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter dit uit.
Beoordeling
2. Indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tegen het bestreden besluit beroep heeft ingesteld, maar dit beroep op een later moment heeft ingetrokken. Nu tegen het bestreden besluit geen beroepsprocedure meer loopt, wordt niet langer voldaan aan het in artikel 8:81 van de Awb neergelegde connexiteitsvereiste. Om die reden is de voorzieningenrechter van oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening
kennelijk niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt.
4. De voorzieningenrechter voegt aan het voorgaande ter verduidelijking het volgende toe. De minister heeft bij brief van 10 november 2022 het onder 1 genoemde bestreden besluit van 7 juli 2022 ingetrokken en op 3 maart 2023 een nieuw besluit op bezwaar van verzoekster genomen. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/3467. Tevens heeft zij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat is geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/3468. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank zowel op het beroep als op het verzoek om voorlopige voorziening beslist.
5. Gelet op overweging 3 bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, op 11 juli 2024, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie artikel 18 en 19 van het Terugtrekkingsakkoord als bedoeld in paragraaf B13/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht.