Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-09
ECLI:NL:RBDHA:2024:10613
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,765 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.20918
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T.J.M. Schilder).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Hij heeft op 9 december 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 10 mei 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
2. Eiser heeft de Moldavische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1975.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser stelt dat hij Moldavië heeft verlaten vanwege medische problemen, namelijk hepatitis. Daarnaast heeft eiser nauwelijks werk gehad. Ook heeft hij Moldavië verlaten omdat hij als Roma gediscrimineerd werd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: 1) Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2) Problemen vanwege uw Roma etniciteit.
4.1.
Verweerder heeft het eerste element geloofwaardig geacht en het tweede element heeft verweerder deels geloofwaardig geacht. Volgens verweerder heeft eiser geen gegronde vrees voor vervolging en loopt hij geen reëel risico op ernstige schade. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat verweerder zich enkel op stellingnamen baseert zonder ze te onderbouwen. Daarnaast blijkt niet kenbaar uit de beschikking dat verweerder nauwkeurige en actuele informatie uit verschillende bronnen gebruikt zoals vereist door artikel 10 van richtlijn 2013/32/EU. Verder voert eiser aan dat hij zwaarder gediscrimineerd werd dan verweerder aanneemt. Als Roma kreeg hij geen werk en heeft geen goede medische behandeling gehad voor hepatitis. Klagen bij de autoriteiten heeft geen zin, omdat eiser in een achtergestelde positie verkeerd. Verweerder had de discriminatoire gedragingen die eiser heeft meegemaakt in onderlinge samenhang moeten bezien. Ten aanzien van het inreisverbod en terugkeerbesluit voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De asielaanvraag
6. Uit paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat de IND discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers aan als daad van vervolging aanmerkt, als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Deze maatstaf is niet in geschil.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op goede gronden kunnen concluderen dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Los van de vraag of de moeilijkheden die eiser heeft ondervonden samenhangen met zijn Roma achtergrond, is niet gebleken dat eiser zo ernstig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Eiser heeft immers in Moldavië gewoond en ingeschreven gestaan bij het arbeidsbureau en heeft enige medische hulp en scholing gekregen. Ook heeft hij werk gehad als seizoenarbeider. Daarnaast heeft eiser niet geprobeerd om bij de Moldavische autoriteiten te klagen. Anders dan eiser stelt mag dit op grond van het Vluchtelingenverdrag wel van hem worden gevraagd. Moldavië heeft zich immers aangesloten bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat uitdrukkelijk discriminatie verbiedt. Eiser heeft geen geldige reden opgegeven waarom hij zich niet voor bescherming tot de Moldavische autoriteiten heeft gewend.
7. Ten aanzien van eisers beroep op de richtlijn 2013/32 EU oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat het onderzoek van verweerder ondeugdelijk is geweest. Verweerder heeft weliswaar niet uitdrukkelijk verwezen naar de bronnen hij heeft gebruikt, maar verweerder heeft wel de omstandigheden van Roma in Moldavië betrokken bij de besluitvorming.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
8. Ten aanzien van het terugkeerbesluit oordeelt de rechtbank dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat er een risico is dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft daar terecht aan ten grondslag mogen leggen dat eiser niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, geen vaste woon- of verblijfplaats en ook geen middelen van bestaan heeft. Dat eiser zich tot op heden niet aan het toezicht heeft onttrokken maakt het weliswaar onwaarschijnlijker dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, maar neemt niet weg dat hij, vanwege de afwezigheid van een vaste woon- of verblijfsplaats, moeilijk te vinden zal zijn als hij uitgezet moet worden. Ook blijft staan dat eiser niet de middelen heeft om zijn eigen uitreis te bekostigen. Gelet hierop heeft verweerder terecht een risico op onttrekking aan toezicht aangenomen.
Conclusie
9. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens - Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bladzijde 3 van het voornemen en bladzijde 2 van het bestreden besluit.