Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-03-22
ECLI:NL:RBDHA:2024:10321
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,236 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/672
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en
het dagelijks bestuur van ISD Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: mr. D. de Borst).
Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2022 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 3 mei 2022 voor bijzondere bijstand ingevolge de Participatiewet (Pw) voor de kosten van mentorschap afgewezen.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2024. Eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn op zitting verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij beschikking met zaaknummer 9891673 van 28 juni 2022 is door de rechtbank Den Haag een mentorschap ten behoeve van eiser ingesteld. Dientengevolge wordt eiser geconfronteerd met kosten. Deze kosten bestaan uit een maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden van de mentor en een éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden. Ingevolge de Regeling beloningen curatoren, bewindvoerders en mentoren, zoals deze gold in 2022, bedraagt de jaarbeloning voor een mentor € 1.245,- en de éénmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden € 586,-.
1.2.
Op 3 mei 2022 heeft eiser bijzondere bijstand aangevraagd om te kunnen voorzien in de kosten van mentorschap. Eiser ontvangt een Wajong-uitkering ter hoogte van € 1.065,48 per maand. Op het moment van aanvraag waren de saldi op de bankrekeningen van eiser € 29.845,37. Daarnaast was er sprake van een studieschuld bij DUO ter hoogte van € 13.712,66.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen bij primair besluit, gehandhaafd na bezwaar bij bestreden besluit, omdat de draagkracht uit het vermogen van eiser hoger is dan de kosten waarvoor bijstand is aangevraagd.
3. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld.
4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het beroep.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 3 mei 2022 (datum aanvraag) tot 20 december 2022 (datum bestreden besluit).
4.2.
Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Pw dient eerst te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. Op dit punt heeft het bijstandverlenend orgaan een zekere beoordelingsvrijheid.
4.3.
Ingevolge artikel 7 van de Uitvoeringsregels bijzondere bijstand ISD Bollenstreek 2022 (Uitvoeringsregels) wordt geen bijzondere bijstand toegekend indien er sprake is van draagkracht waarmee belanghebbende minimaal drie maanden in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd kan voorzien.
4.4.
Niet in geschil is dat de gevraagde kosten voor bijzondere bijstand de draagkracht uit het vermogen van eiser niet te boven gaat. Ook is niet in geschil dat de Uitvoeringsregels rechtmatig zijn. Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder bij afwijzing van het verzoek voldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.
4.4.1.
Op grond van artikel 4:84, van de Algemene wet bestuursrecht, handelt het bestuursorgaan overeenkomstig zijn beleidsregel, tenzij dit voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
4.4.2.
Bij de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden gelden dezelfde maatstaven als bij toetsing van een besluit rechtstreeks aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Onder bijzondere omstandigheden ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht worden zowel niet in de beleidsregels verdisconteerde omstandigheden als reeds in de beleidsregels verdisconteerde omstandigheden begrepen.
4.5.
Eiser heeft aangevoerd dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aanvraag om bijzondere bijstand moet worden toegekend. Ter ondersteuning van dit standpunt heeft eiser aangevoerd dat de kosten van mentorschap niet vrijwillig zijn, maar hem zijn opgelegd. Op grond van de Wlz is hij verplicht gewaarborgde hulp in te schakelen. Omdat eiser niemand in zijn netwerk heeft om hem hierbij te helpen, moet hij voor een mentor kiezen. Verder heeft eiser aangevoerd dat het geld op zijn spaarrekening bedoeld is om in de toekomst, wanneer zijn gezondheid het toelaat, zijn studie af te kunnen maken. De afwijzing van de bijzondere bijstand heeft daarom voor hem onevenredige gevolgen, namelijk dat hij zijn studie niet kan voltooien. Hij is van mening dat verweerder deze omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Verweerder heeft in voldoende mate beoordeeld of er sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels in het geval van eiser onevenredige gevolgen zou hebben in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, en of daarbij alle omstandigheden van het geval zijn betrokken. In het kader van deze beoordeling heeft verweerder terecht overwogen dat in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen sprake is van bijzondere omstandigheden. Of eiser zijn studie zal hervatten is allereerst een onzekere toekomstige gebeurtenis. Daarnaast is niet aannemelijk gemaakt waarom het gebruiken van een deel van het spaargeld tot gevolg zou hebben dat in de toekomst eiser zijn studie niet zou kunnen hervatten. Dat eiser in het kader van de Wlz verplicht is gewaarborgde hulp in te schakelen maakt dat deze kosten noodzakelijk zijn, maar levert verder geen dusdanige bijzondere omstandigheid op dat op grond daarvan afgeweken dient te worden. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat het doel van een onverkorte toepassing van het beleid, namelijk de handhaving van de vangnetfunctie van de Participatiewet, opweegt tegen dit mogelijk nadelige gevolg van het besluit voor eiser. Verweerder heeft derhalve blijk gegeven van een evenwichtige belangenafweging.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van het verzoek om bijzondere bijstand in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Leichel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 1 Regeling beloningen curatoren, bewindvoerders en mentoren 2022.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:129.
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.