Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-02
ECLI:NL:RBDHA:2024:10207
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,119 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.16776
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod aan eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1980. Eiser is op 7 april 2024 in bewaring gesteld omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft. Deze maatregel is na een belangenafweging opgeheven op 15 mei 2024.
4. Op 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris eiser op grond van artikel 61 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een terugkeerbesluit opgelegd, omdat hij niet uit eigen beweging Nederland heeft verlaten toen hij geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland. Het inreisverbod is op dezelfde datum opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 voor de duur van twee jaren.
5. In het terugkeerbesluit heeft de staatssecretaris vermeld dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De staatssecretaris legt daaraan de volgende onbestreden zware en lichte gronden ten grondslag:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
Mocht de staatssecretaris een vertrektermijn onthouden?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd en daarbij geen vertrektermijn van 28 dagen heeft gegeven. Ter zitting heeft eiser gemeld dat hij alleen de vertrektermijn aanvecht. Hem is een vertrektermijn van 0 dagen gegeven, terwijl hij recht had op een vertrektermijn van 28 dagen. Eiser heeft deze grond onderbouwd door te melden dat hij vanaf zijn zevende levensjaar in Frankrijk heeft gewoond en daar kinderen en een vrouw heeft. Daarnaast heeft hij eerder aangegeven zelf terug te willen naar Frankrijk. Deze omstandigheden zijn meegewogen in de belangenafweging, zoals volgt uit de voortgangsrapportage, die heeft geleid tot een opheffing van de maatregel van bewaring. Niet valt in te zien waarom dezelfde omstandigheden niet leiden tot het opleggen van een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen. Binnen die 28 dagen had eiser namelijk op andere wijze rechtmatig verblijf kunnen aanvragen om in Frankrijk bij zijn familie te kunnen verblijven.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat de staatssecretaris terecht op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000 een terugkeerbesluit heeft opgelegd aan eiser. Dit wordt niet betwist door eiser. In voornoemd artikel is bepaald dat wanneer een vreemdeling – die geen gemeenschapsonderdaan is – niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederland een terugkeerbesluit wordt opgelegd. Uit het onderzoek van de staatssecretaris naar de verblijfsstatus van eiser volgt dat eiser sinds 6 april 2012 geen rechtmatig verblijf meer heeft in Frankrijk. Het is dus niet gebleken dat eiser een gemeenschapsonderdaan is en rechtmatig verblijf heeft in Frankrijk.
6.2.
De staatssecretaris kan een vreemdeling in een terugkeerbesluit een vertrektermijn onthouden als het risico bestaat dat deze vreemdeling zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Een dergelijk onttrekkingsrisico doet zich voor als zich tenminste twee gronden voor een maatregel van bewaring voordoen. Zoals in rechtsoverweging 5 staat vermeld zijn de zware en lichte gronden die aan het terugkeerbesluit ten grondslag zijn gelegd als zodanig niet betwist. De enkele stelling dat in het geval van eiser geen risico op onttrekking bestaat wegens zijn wens om naar Frankrijk te gaan, is daarvoor onvoldoende. Uit de zware en lichte gronden volgt immers dat er in dit geval voldoende risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.Dit betoog slaagt niet.
Mocht de staatssecretaris een inreisverbod voor twee jaren opgelegd?
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte een inreisverbod voor twee jaren aan hem heeft opgelegd. Eiser heeft namelijk geen enkele binding met Marokko en wel met Frankrijk. Opnieuw is hier van belang dat eiser al zijn hele leven in Frankrijk woont en zijn kinderen en vrouw daar wonen. De oplegging van het inreisverbod voor de duur van twee jaren is disproportioneel. De staatssecretaris had namelijk rekening moeten houden met het gegeven dat eiser nooit eerder in aanraking is geweest met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) en/of de Vreemdelingenpolitie (AVIM). Daarbij is het voor eiser gemakkelijker om vanuit Frankrijk rechtmatig verblijf te verkrijgen althans aan te vragen dan vanuit Marokko.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De staatssecretaris moet in beginsel een inreisverbod opleggen als een vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft, hem een terugkeerbesluit is opgelegd en hem een vertrektermijn is onthouden op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000. Gelet op dat wat is geoordeeld in overweging 6.1 en 6.2 heeft de staatssecretaris eiser terecht een terugkeertermijn van 28 dagen onthouden. Daarom was de staatssecretaris bevoegd om een inreisverbod op te leggen. Verder volgt uit artikel 66a, paragraaf A4/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) dat de IND of de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de duur van het inreisverbod verkort, of een inreisverbod achterwege laat, als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd. De omstandigheden die eiser aanvoert heeft de staatssecretaris terecht niet aangemerkt als dergelijke omstandigheden. De staatssecretaris heeft er namelijk terecht op gewezen dat eiser geen verblijfsrecht heeft in Frankrijk en tegen hem een uitzettingsbevel is uitgevaardigd door de Franse autoriteiten. De staatssecretaris heeft verder ook terecht gewezen op de mogelijkheid om vanuit Marokko een verblijfsrecht aan te vragen vanwege zijn familie in Frankrijk.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het terugkeerbesluit en inreisverbod in stand blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Artikel 59, eerste lid, onder a van het Vw 2000
Onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Dat volgt uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Dat volgt uit artikel 5.1 en artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
Zie ook: Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 23 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5978.
Artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.