Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-05-30
ECLI:NL:RBDHA:2024:10137
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,629 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.12565
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Erik),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 maart 2024 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard op 27 november 2023.
5. Eiser voert tegen het besluit aan dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt en dat daarom van overdracht geen sprake kan zijn. Ter onderbouwing wijst eiser op een rapport van AIDA waaruit volgt dat eiser in Oostenrijk geen aanspraak zal maken op medische zorg, terwijl hij die wel nodig heeft en dat er bovendien lange wachttijden zijn. Eiser doelt hierbij op een passage uit het rapport waarin staat dat het recht op zorg in Oostenrijk vervalt wanneer een asielzoeker langer dan drie dagen afwezig is. Dat geldt voor eiser ook, omdat hij na aankomst in Oostenrijk vrijwel onmiddellijk is doorgereisd. Bovendien is in Oostenrijk sprake van pushbacks en heeft eiser dat ook persoonlijk ervaren. Dit is een omstandigheid waardoor verweerder niet zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan.
5.1.
De staatssecretaris stelt zich hierover op het standpunt dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat verondersteld mag worden dat de lidstaten hun internationale verplichtingen jegens asielzoekers nakomen. Met betrekking tot eventuele pushbacks merkt verweerder op dat er geen reden is om te veronderstellen dat eiser daar na overdracht risico op loopt. In het bestreden besluit heeft verweerder verder overwogen dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kan worden afgeleid dat sprake is van structurele tekortkomingen. Bovendien kan eiser zich in Oostenrijk bij de autoriteiten beklagen in het geval toch sprake is van een tekortkoming.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat hij zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Oostenrijk de internationale verplichtingen nakomt. Zoals ter zitting besproken ziet de rechtbank in het verslag van het gehoor met eiser geen aanknopingspunten voor eisers stelling dat hij slachtoffer is geworden van een pushback. Eiser heeft ook geen documentatie overgelegd waaruit blijkt van een praktijk van pushbacks en al helemaal niet dat ook overgedragen Dublinclaimanten een reëel risico lopen daarvan slachtoffer te worden. Met betrekking tot de beschikbaarheid van medische zorg blijkt uit de door eiser bedoelde passage van het AIDA rapport (Country Report: Austria van 5 mei 2023) inderdaad dat asielzoekers, die meer dan drie dagen weg zijn geweest uit de eerste opvangvoorziening (“Erstaufnahmestelle”), problemen kunnen ondervinden om toegang te krijgen tot medische zorg. Dat staat op pagina 123. Uit hetzelfde rapport op pagina 97 met betrekking tot Dublinclaimanten staat evenwel dat asielzoekers na Dublinoverdracht worden geplaatst in een eerste opvangvoorziening. Zolang eiser van de geboden opvang gebruik maakt, lijkt de gesignaleerde moeilijke toegang tot medische zorg voor eiser dus niet aan de orde te zijn.
6. Eiser doet verder een beroep op de toepassing van artikel 16 van de Dublinverordening, omdat hij afhankelijk is van de hulp van zijn tweelingbroer in Nederland en zij herenigd willen worden. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een geschreven verklaring van zijn broer overgelegd, waarin eisers broer aangeeft dat eiser het zwaar heeft, onder grote psychische druk staat en een traumatische tijd heeft gehad en dat hij eiser kan en wil ondersteunen.
6.1.
De staatssecretaris stelt zich hierover allereerst op het standpunt dat de familieband niet is aangetoond en daarnaast dat de gestelde afhankelijkheid van de zorg van eisers broer onvoldoende is gebleken. Toepassing van artikel 16 van de Dublinverordening is daarmee niet aan de orde.
6.2.
De lidstaten zorgen er op grond van artikel 16 van de Dublinverordening normaal gesproken voor dat de verzoeker kan blijven bij of wordt verenigd met zijn kind, broer of zus, of ouder als zij afhankelijk zijn van elkaars hulp. De afhankelijkheid moet zijn gebaseerd op een zwangerschap, een pasgeboren kind, een ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd. De voorwaarde is verder dat het betreffende familielid wettig verblijft in één van de lidstaten. Ook moeten er al in het land van herkomst familiebanden hebben bestaan en moet het familielid of de verzoeker in staat zijn voor de afhankelijke persoon te zorgen. Ten slotte moeten de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dit wensen.
6.3.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening. Daargelaten de vraag of de gestelde familieband voldoende aannemelijk is geworden, kan de rechtbank verweerder volgen in zijn standpunt dat afhankelijkheid als bedoeld in artikel 16 van de Dublinverordening niet is gebleken. Het is weliswaar alleszins voorstelbaar dat eiser steun vindt in de aanwezigheid van naaste familieleden en ook dat eisers broer hem kan helpen, maar dat is niet voldoende voor toepasselijkheid van artikel 16. Verweerder heeft in dit verband niet ten onrechte verwezen naar de vaste rechtspraak dat de afhankelijkheid zodanig moet zijn dat de concreet geboden zorg niet of zeer moeilijk te vervangen zou zijn. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser de concreet benodigde hulp niet ook in Oostenrijk zou kunnen krijgen.
7. Naast een beroep op artikel 16 doet eiser ook een beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening om de behandeling van het asielverzoek onverplicht aan zich te trekken. Eiser wijst ook in dit verband op de omstandigheid dat zijn broer en stiefvader in Nederland zijn, dat hij lijdt aan psychische problemen waarin zijn familie hem tot steun is en dat in Nederland behandeling is gestart. Dat maakt wat eiser betreft dat overdracht in dit geval van onevenredige hardheid zou getuigen.
7.1.
Verweerder heeft in redelijkheid kunnen beslissen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht aan Oostenrijk. Het enkele feit dat familieleden van eiser in Nederland zijn is geen omstandigheid die noopt tot toepassing van artikel 17; daarvoor is artikel 16 van de Dublinverordening al bedoeld. Ook in samenhang met de andere genoemde omstandigheden heeft verweerder hiertoe geen aanleiding moeten zien. Uitgangspunt is immers dat in de verantwoordelijke lidstaat de medische voorzieningen vergelijkbaar zijn met die in andere lidstaten en ook ter beschikking staan aan Dublinclaimanten.
8. Eiser heeft tot slot een beroep gedaan op het arrest C.K. van het Hof van Justitie (ECLI:EU:C:2017:127). Eiser stelt dat overdracht aan een reëel en bewezen risico oplevert van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie. In het bestreden besluit heeft verweerder op dit punt naar aanleiding van de zienswijze overwogen dat eiser zijn beroep op dit arrest onvoldoende heeft onderbouwd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit om de asielaanvraag niet te behandelen maar eiser over te dragen aan Oostenrijk in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.C.M. Boerboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 30 april 2024
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Dit alles volgt uit artikel 16, eerste lid, van de Dublinverordening.