Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:10020
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,603 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.24358
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatsecretaris
(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).
Procesverloop
De staatssecretaris heeft op 25 februari 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De staatssecretaris heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 21 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring reeds driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2024 (in de zaak NL24.20194) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 mei 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is
Standpunten van partijen
3. Eiser betoogt dat de voortduring van de bewaring onrechtmatig is. Eiser voert hiertoe aan dat de staatssecretaris ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd, dat de staatssecretaris niet voortvarend werkt aan de uitzetting, dat er geen zicht is op uitzetting binnen afzienbare tijd en dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen. Volgens eiser mag – aangezien eiser inmiddels ruim vier maanden gedetineerd is – meer verwacht worden in het kader van de uitzetting dan enkel het houden van vertrekgesprekken of versturen van algemene rappels.
4. De staatssecretaris heeft ter zitting gesteld dat er voldoende voortvarend is gehandeld, nu de staatssecretaris regelmatig rappelleert en regelmatig vertrekgesprekken voert met eiser. Dat de bewaring vier maanden duurt, is volgens de staatssecretaris op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er geen zicht is op uitzetting.
Oordeel van de rechtbank
5. De beroepsgronden slagen niet. De stellingen dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen en dat ten onrechte geen lichter middel is opgelegd zijn in hun geheel niet onderbouwd; de rechtbank volstaat daarom met de conclusie dat zij reeds eerder heeft geoordeeld dat de gronden de maatregel kunnen dragen en dat niet is gebleken van dergelijke omstandigheden die maken dat de bewaring onevenredig bezwarend is of waarin de staatssecretaris aanleiding had moeten zien eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
5.1.
Voorts is de rechtbank van oordeel dat de staatssecretaris voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en het verhandelde ter zitting blijkt dat de staatssecretaris sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure tweemaal, op 28 mei 2024 en 18 juni 2024, heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag van 28 februari 2024. Voorts heeft de staatssecretaris een vertrekgesprek gevoerd op 27 mei 2024, en in het begin van de laatste week van juni 2024 staat het volgende vertrekgesprek gepland. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
5.2.
De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. Er zijn geen aanknopingspunten dat Marokko voor eiser in het bijzonder geen lp zal afgeven, of dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Op eiser rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank constateert dat eiser die medewerking niet verleent. Nu de Marokkaanse autoriteiten voldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van de voor uitzetting benodigde documenten, is er geen grond voor het oordeel dat zij, indien de vreemdeling zijn medewerking verleent, geen lp op zijn naam willen verstrekken.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. S.Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Rechtbank Den Haag, 23 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5929.
Zie de uitspraken van de Afdeling 14 november 2022 met nummer ECLI:NL:RVS:2022:3269 en 8 augustus 2023 met nummer ECLI:NL:RVS:20233033).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 13 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:85, en Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 2 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2210.