Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-06-27
ECLI:NL:RBDHA:2024:10015
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Vereenvoudigde behandeling
989 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10394
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
mede namens haar minderjarige kind,
[naam],
geboren op [geboortedatum],
van Iraakse nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. L.J. Meijering),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 12 augustus 2022.
1.1.
De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2024 ingewilligd. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres de rechtbank verzocht de staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.2.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Beoordeling
2. Omdat de staatssecretaris inhoudelijk aan het beroep tegemoet is gekomen, heeft eiseres geen procesbelang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
3. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Dit kan ook als het beroep niet-ontvankelijk is.
4. Het beroep is dan wel niet-ontvankelijk, maar omdat de staatssecretaris naar aanleiding van het beroep aan eiseres tegemoet is gekomen, bestaat in beginsel wel aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten van eiseres.
5. De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris daarom in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde een factor van 0,5 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 437,50.
6. De rechtbank ziet in de uitkomst van de zaak aanleiding te bepalen dat de staatssecretaris aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat de staatssecretaris aan het beroep tegemoet is gekomen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van €187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Dit volgt uit artikel 8:75 van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).