Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2024-07-17
ECLI:NL:RBDHA:2024:10012
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,048 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5341
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en
de minister van Financiën, verweerder
(gemachtigden: mr. [naam 1] en mr. [naam 2]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de twee schulden van eiseres bij [reisorganisatie] te betalen.
1.1.
Met het primaire besluit van 13 mei 2022 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd de schulden van eiseres te betalen. Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 is verweerder bij die weigering gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. P. Frimpong namens de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder ten gevolge van de toeslagenaffaire. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) komen gedupeerden in aanmerking voor betaling van hun privaatrechtelijke geldschulden als die voldoen aan de vereisten van de Wht. Het betalen van de geldschulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland.
3. Eiseres heeft verzocht om betaling van haar schulden van in totaal € 2.204 bij [reisorganisatie]. De Dienst Toeslagen heeft bepaald dat de schulden niet worden betaald, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van de Wht.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres stelt dat de schulden bij [reisorganisatie] ten onrechte niet door verweerder zijn betaald, omdat deze reeds bij het aangaan opeisbaar zijn geworden. Door de problemen met de kinderopvangtoeslag had eiseres geen andere mogelijkheid dan haar spullen op afbetaling te kopen. Eiseres wijst erop dat haar schulden een verwoestende impact hebben op haar lichamelijke gezondheid. Eiseres stelt daarnaast dat de hoorplicht, het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden.
Wat vindt verweerder in beroep?
5. Verweerder stelt dat de schulden van eiseres niet voor betaling in aanmerking komen, omdat deze niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Wat is het toetsingskader?
6. Toen het primaire besluit genomen werd op 13 mei 2022, gold als grondslag voor de besluitvorming het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Het Besluit was vastgesteld vooruitlopend op nieuwe wetgeving over de hersteloperatie om gedupeerde ouders tegemoet te komen. Sinds 2 november 2022 en daarmee ten tijde van het nemen van het hier in geding zijnde bestreden besluit, is het Besluit opgenomen in afdeling 4.1 van de Wht. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf die datum over het al dan niet compenseren of betalen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het compenseren en het betalen van private schulden zijn overigens dezelfde vereisten die het Besluit stelde.
7. Op grond van artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht kunnen schulden die zijn ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser, worden overgenomen. Daarnaast moet de schuld voldoen aan de volgende vereisten:
de schuld is ontstaan na 31 december 2005;
de schuld is vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden; en
de schuld is niet voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord als bedoeld in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft ter zitting erkend dat eiseres uitgenodigd had moeten worden voor een hoorgesprek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in strijd heeft gehandeld met de hoorplicht. De rechtbank ziet echter aanleiding om de schending van de hoorplicht te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat het aannemelijk is dat eiseres niet is benadeeld. Eiseres heeft namelijk in haar beroepschrift en in de aanvullende gronden van 24 mei 2024 en ter zitting haar gronden naar voren gebracht.
9. Naar het oordeel van de rechtbank moeten de hier in geding zijnde schulden
worden beschouwd als geldschulden die voortvloeien uit een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf van de schuldeiser verrichte rechtshandeling als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder a, van de Wht. Om voor overname van de geldschulden in aanmerking te komen, moeten de schulden voldoen aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de schulden bij [reisorganisatie] terecht niet heeft overgenomen, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wht. De rechtbank verwijst in dit verband naar een
e-mailbericht van [reisorganisatie] van 21 april 2022 waaruit blijkt dat de lening met nummer 778107458 is ontstaan op 12 oktober 2021. Op 1 juni 2021 bestond deze lening dus nog niet, zodat geen sprake kan zijn van een vóór 1 juni 2021 opeisbaar geworden schuld. De lening met nummer 748105528 is weliswaar ontstaan op 16 augustus 2019, maar uit hetzelfde e-mailbericht blijkt dat eiseres ten aanzien van deze schuld in de periode voor
1 juni 2021 geen achterstallige betalingen heeft doen ontstaan. Dat eiseres een betalingsregeling met de schuldeiser heeft afgesproken, maakt niet dat direct bij het aangaan van de schuld sprake was van een opeisbaar geworden schuld als bedoeld in de Wht. Evenmin is gebleken dat sprake is van een vóór 1 juni 2021 volledig opeisbaar geworden hoofdsom. Dit betekent dat de schulden bij [reisorganisatie] niet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder b, onderscheidenlijk het vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht.
11. Het vereiste van de opeisbaarheid vloeit voort uit de wet. Dit vereiste is dwingend geformuleerd en daarop zijn geen uitzonderingen geformuleerd. Hoewel het voor eiseres wellicht niet eerlijk voelt dat haar schulden niet worden betaald, laat dit onverlet dat de regeling voor het betalen van private schulden niet tot doel heeft om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om gedupeerde ouders zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. Doordat alleen de opeisbare betalingsachterstanden en hoofdsommen worden overgenomen, wordt beoogd te voorkomen dat een gedupeerde in de problemen komt door incassomaatregelen. De rechtbank wijst er daarbij op, zonder af te willen doen aan de gevolgen die de toeslagenaffaire voor haar heeft, dat eiseres in de relevante periode niet kampte met de incassomaatregelen waar andere ouders met private schulden wel mee kampten. Voor deze laatsten is deze regeling bedoeld. Overigens worden hun schulden dan niet helemaal overgenomen, maar alleen het opeisbare deel van de schuld. De regeling ziet dus niet op een situatie zoals die van eiseres, waarbij geen sprake is van voor 1 juni 2021 opeisbaar geworden schulden. Dat eiseres het niet eens is met het vereiste van de opeisbaarheid, maakt het voorgaande niet anders. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld in haar uitspraken van 15 mei 2024, heeft de wetgever bewust gekozen voor het stellen van de eis van de opeisbaarheid in de Wht. Dit betekent dat er op het punt van de eis van de opeisbaarheid geen sprake is van een omstandigheid die niet of niet ten volle is meegenomen in de afweging van de wetgever.
12. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. In wat eiseres heeft aangevoerd, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat de schulden zijn ontstaan door de problemen met de kinderopvangtoeslag, is een omstandigheid die de wetgever heeft meegenomen bij de totstandkoming van de Wht.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van de Awb is er aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 en de proceskosten vergoedt. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voorheen de Belastingdienst/Toeslagen.
Stcrt. 2021, 44723.
Dit staat in artikel 9.2, eerste lid, onder j, van de Wht.
Dit staat in artikel 8.6 van de Wht.
Artikel 4.1, tweede lid, van de Wht.
De datum van 1 juni 2021 sluit aan bij de bekendmaking van de regeling voor privaatrechtelijke
schulden en voorkomt dat met de wetenschap van het bestaan van die regeling nieuwe schulden
worden aangegaan. Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 130.
Dit geldt ten aanzien van andere dan hypothecaire leningen, zie artikel 4.1, vierde lid, onder b, van
de Wht.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 38.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2021-2022, 36 151, nr. 3, blz. 43 en 45.
Dit betreft de uitspraken met nummers ECLI:NL:RVS:2024:2040 en ECLI:NL:RVS:2024:2045.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, blz. 44.