Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:9936
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,087 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.6185
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], eiseres
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Beyik).
Procesverloop
Bij besluit van 7 december 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 6 april 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 7 juni 2023 op zitting behandeld. Referente is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1956 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiseres wenst een visum voor kortdurend verblijf bij haar dochter in Nederland, mevrouw T. Avsar, (referente). Referente heeft de Nederlandse nationaliteit.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf van eiseres in Nederland onvoldoende zijn aangetoond. Ook heeft eiseres niet aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van haar voorgenomen verblijf als voor de terugreis naar Turkije. In bezwaar heeft verweerder zijn besluit gehandhaafd, omdat eiseres de conclusies van verweerder over de toepasselijke weigeringsgronden niet heeft kunnen weerleggen. Niet gebleken is namelijk dat eiseres of referente, gezamenlijk dan wel individueel, voldoen aan het middelenvereiste. Ook heeft eiseres, zowel bij de aanvraag als in bezwaar, nagelaten om het doel en de omstandigheden van haar verblijf in Nederland op te helderen middels het overleggen van de gevraagde ‘Vragenlijst Visumaanvraag’.
Wat vindt eiseres in beroep?
3. Eiseres voert ten eerste aan dat verweerder de inkomsten van referente ten onrechte onvoldoende heeft geacht om garant te staan voor het verblijf van eiser in Nederland. Uit de Visumcode volgt namelijk niet dat de inkomsten tot een jaar na indiening van de visumaanvraag beschikbaar moeten zijn en dat deze moeten voldoen aan de minimumeisen van de Wet minimumloon (Wml). Verweerder mag de eisen ‘duurzaam’ en ‘voldoende’ die ten aanzien van de middeleneis gelden voor verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd niet zonder meer overeenkomstig toepassen op een visumaanvraag. Ten tweede heeft verweerder ten onrechte voor het verlopen van de opgeschorte beslistermijn op het bezwaar beslist, hetgeen een zorgvuldigheidsgebrek oplevert. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Juiste toetsingskader?
4. Ten eerste wordt eiseres niet gevolgd in haar stelling dat verweerder niet mocht uitgaan van de eisen zoals gesteld in artikel 3.75, eerste lid en artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb, bij de beoordeling van de vraag of referente als garantsteller voor eiseres kan optreden. Uit paragraaf A1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt namelijk dat een solvabele derde met rechtmatig verblijf in Nederland kan optreden als garantsteller, als deze derde zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Conform diezelfde paragraaf van de Vc is voor de beoordeling van de begrippen 'zelfstandig’, ‘duurzaam’ en ‘voldoende’ bij aanvragen voor een visum kort verblijf de uitleg van deze begrippen zoals bedoeld in de artikelen 3.73, 3.75 en 3.74, eerste lid van het Vb van overeenkomstige toepassing verklaard. De beroepsgronden slagen niet en verweerder is in het bestreden besluit van het juiste toetsingskader uitgegaan.
Middelenvereiste
5. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 32, eerste lid van de Visumcode genoemde redenen ieder afzonderlijk voldoende zijn om een visum te weigeren. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, iii) van de Visumcode volgt dat een visum wordt geweigerd als de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken voor het verblijf en de terugkeer naar het land van herkomst. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de duur en het doel van het verblijf, alsmede met de gemiddelde prijzen voor onderdak in Nederland. Verweerder is gehouden bij deze beoordeling uit te gaan van de richtbedragen als bedoeld in artikel 34, eerste lid en onder c van de Schengengrenscode. Voor Nederland geldt hier een richtbedrag van 55 euro per verblijfsdag. Het ligt op de weg van eiseres om het voldoen aan deze richtbedragen met objectieve bewijsmiddelen aannemelijk te maken.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat niet voldaan wordt aan het middelenvereiste. Vaststaat namelijk dat eiseres en referent, zowel individueel als gezamenlijk, onvoldoende inkomsten hebben om aan het op pagina 4 van het bestreden besluit gestelde richtbedrag van €4.895,- te voldoen. Niet betwist is dat eiseres in totaal over een vermogen van €1.000,23 in banktegoeden beschikt, waarvan de herkomst niet te herleiden is. Bovendien is niet betwist dat referente als enige inkomstenbron een WIA-uitkering van €1.185,81 heeft. De som van deze gestelde middelen van bestaan is bij elkaar opgeteld onvoldoende om aan het gestelde richtbedrag te voldoen. Nu de hoogte van deze inkomsten niet bestreden wordt door eiseres, is de rechtbank van oordeel dat verweerder mocht concluderen dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, iii) van de Visumcode van toepassing is in dit geval.
7. Nu de voorwaarden van artikel 32 van de Visumcode dwingende weigeringsgronden zijn, die elk apart de weigering van het visum kunnen dragen, dient het beroep alleen hierom al ongegrond verklaard te worden. De overige beroepsgronden kunnen niet tot een andere uitkomst leiden. Ten overvloede overweegt de rechtbank echter nog het volgende.
8. De enkele stelling van eiseres dat bij eerdere aanvragen wel een visum is verleend maakt dit oordeel niet anders. Eiseres heeft deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd.
9. Ook een beroep op de hoorplicht had eiser in dit geval niet kunnen baten. Van het horen in bezwaar mag worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidende conclusie kunnen leiden. Gelet op de inhoud van de bezwaargronden en de overgelegde stukken was meteen duidelijk voor verweerder dat eiseres en referente, zowel individueel als gezamenlijk, niet aan het gestelde richtbedrag voor dit visum voldeden. Een hoorzitting had geen ander licht op deze feiten kunnen werpen en daarom heeft verweerder terecht van het horen in bezwaar afgezien.
Wat is de conclusie?
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort - Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dictum
Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Verordening EG nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
Als bedoeld in artikel 3.75, eerste lid en artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb.
Zie de volgende link: Richtbedragen voor kort verblijf | IBZ (https://dofi.ibz.be/nl/themes/entry/border-control/entry-schengen-territory/richtbedragen-voor-kort-verblijf)
Verordening 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 2016, betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen.