Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-05
ECLI:NL:RBDHA:2023:9701
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,818 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.18092
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
[geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. D. Halbesma).
Procesverloop
Bij besluit van 19 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2023 en met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Tevens is daar een tolk verschenen. Verweerder heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Overwegingen
1. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de maatregel nodig is in het kader van de openbare orde, omdat er een risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken en betrokkene de voorbereiding van het vertrek of uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De staatssecretaris heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
1.2.
Verweerder heeft ter zitting de lichte grond 4a laten vallen.
2. Uit het arrest van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) volgt dat de rechtbank bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel de uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarden voor bewaring ambtshalve toetst.
Oplegging van de bewaringsmaatregel
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig. De rechtbank ziet in het hiervoor genoemde arrest van het HvJEU geen aanleiding om de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling ambtshalve te toetsen.
Grondslag
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen, nu aan eiser op 11 november 2014 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van 2 jaar is opgelegd. Nu het terugkeerbesluit niet wordt opgeschort door de (ambtshalve) opgestarte artikel 64 procedure geniet eiser geen rechtmatig verblijf.
Gronden
5. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de zware en lichte gronden 3a, 3c, 3e, 3i, 4b, 4c en 4d aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
5.1.
Immers, eiser heeft verklaard niet met zijn eigen paspoort/visum Europa te zijn in gereisd en hij heeft bovendien te kennen gegeven geen identiteitsdocumenten te hebben (3a). Ook heeft eiser op 11 november 2014 reeds een terugkeerbesluit ontvangen waar geen gevolg aan is gegeven (3c) en heeft eiser in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste gegevens verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit door een alias te gebruiken (3e). Eiser heeft daarnaast in verschillende vertrekgesprekken te kennen gegeven dat terugkeer geen enkele optie is en dat hij niet zal meewerken aan zijn vertrek (3i). Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829) volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a, 3c, 3e en 3i mag volstaan met een toelichting die feitelijk juist is. Verweerder heeft deze gronden in de maatregel derhalve voldoende gemotiveerd door de feitelijke juistheid ervan toe te lichten.
5.2.
Betreffende de lichte gronden 4b, 4c en 4d oordeelt de rechtbank dat deze terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd nu eiser reeds twee tot een afwijzing leidende asielaanvragen heeft gedaan (4b) en eiser niet ingeschreven staat in het BRP of aannemelijk heeft gemaakt een vaste verblijfplaats te hebben (4c). Ook is duidelijk dat eiser niet beschikt over voldoende middelen van bestaan nu hij te kennen heeft gegevens slechts €20,- te hebben (4d). Verweerder heeft voor deze gronden ook de relevantie voor het risico op onttrekking aan het toezicht gemotiveerd; in samenhang met de andere gronden kunnen deze gronden de maatregel dan ook dragen.
5.3.
De rechtbank overweegt dat de gronden 3a, 3c, 3e, 3i, 4b, 4c, en 4d, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en dat er voldoende gronden zijn voor verweerders standpunt dat er sprake is van een significant risico op onttrekking.
Lichter middel
6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd is verweerder er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. Voorts is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien eiser niettemin een lichter middel dan bewaring op te leggen (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), 23 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:674). Zo is de medische toestand van eiser meegenomen bij de belangafweging nu verweerder stelt dat de medische zorgverlening binnen de detentie- en uitzetcentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij en de veiligheid voor het leven en voor de gezondheid van de vreemdeling hiermee voldoende is gewaarborgd. De specifieke omstandigheden van eiser zijn kenbaar bij deze afweging betrokken. Ook het gegeven dat eerder een artikel 56 maatregel is opgelegd en dat deze niet heeft geleid tot het vrijwillige vertrek van eiser, evenals het feit dat eiser reeds 21 jaar in Nederland is, is kenbaar meegenomen in de belangenafweging.
Voortvarendheid
7. Verweerder heeft op dag 3 (21 juni 2023) een eerste uitzettingshandeling verricht, namelijk het houden van een vertrekgesprek. In het algemeen geldt dat een eerste uitzettingshandeling op dag zes van de inbewaringstelling voldoende voortvarend is (zie de uitspraak van de ABRvS van 8 april 2020, ECLI:RVS:2020:989, onder 2.2) De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding zijn hiervan af te wijken.
Zicht op uitzetting
8. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw 2000 en het Unierecht als zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Eiser is op 31 maart 2022 gepresenteerd aan vertegenwoordiging Nigeria en de nationaliteit van eiser is bevestigd. Op het moment van inbewaringstelling was er reeds een vlucht gepland voor 3 juli 2023 en hieruit volgt dat er ten tijde van de inbewaringstelling zicht op uitzetting was. Ten tijde van de inbewaringstelling waren er geen belemmeringen voor de uitzetting naar Nigeria. Dat de ambtshalve gestarte artikel 64 procedure nog niet was afgerond doet hieraan niet af omdat dit geen rechtmatig oplevert en ook anderszins bestond er geen feitelijke belemmering voor uitzetting.
9. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel rechtmatig.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring is met ingang van 29 juni 2023 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring.
12. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 7 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel van 7 x € 100,00- (verblijf detentiecentrum) = € 700,00,-.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,00- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,00- en een wegingsfactor 1).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 5 juli 2023;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 700,00- te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Boerlage - van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 17 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3336.