Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-20
ECLI:NL:RBDHA:2023:9616
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,953 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/2689
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. L. de Roode)
en
de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor de periode van januari tot en met maart 2021 herzien naar € 316 en het voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2021 herzien naar € 1.426 en de teveel betaalde voorschotten van respectievelijk € 420 en € 995 teruggevorderd.
Bij besluit van 20 augustus 2021 heeft verweerder het voorschot zorgtoeslag voor de periode van januari tot en met maart 2021 herzien naar € 322 en het voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2021 herzien naar € 2.972. De terugvordering van het kindgebonden budget van € 995 is met deze toekenning verrekend en komen te vervallen.
Bij besluit van 22 september 2021 heeft verweerder het voorschot kindgebonden budget voor het jaar 2021 herzien naar € 3.074.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 11 maart 2022 (het bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Met de besluiten van 30 januari 2023 heeft verweerder de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van eiseres over het jaar 2021 definitief berekend en vastgesteld op respectievelijk € 395 en € 3.254.
De rechtbank heeft het beroep op 23 mei 2023 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde hebben deelgenomen via een online-verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en mr. [naam 2].
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres en [naam 3] (ex-partner) zijn tot 19 februari 2020 gehuwd geweest. Uit de relatie zijn twee kinderen geboren. Volgens de gegevens van de Basisregistratie personen (Brp) staat eiseres vanaf 4 juni 2018 en staat de ex-partner vanaf 3 maart 2021 ingeschreven op het adres [adres] [nummer] te [plaats] (de woning). De woning is niet officieel gesplitst en eiseres en de ex-partner zijn ieder voor de helft eigenaar van de woning.
2. Eiseres ontving in 2021 voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget. Verweerder heeft de ex-partner met ingang van 1 april 2021 als toeslagpartner van eiseres aangemerkt waardoor zijn inkomen vanaf dat moment is gaan meetellen voor de toeslagen. Hierdoor heeft verweerder uiteindelijk een gedeelte van het uitbetaalde voorschot zorgtoeslag teruggevorderd van eiseres.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiseres stelt primair dat de ex-partner ten onrechte als haar toeslagpartner is aangemerkt. Eiseres is namelijk gescheiden van de ex-partner en heeft geen contact meer met hem. Zij woont op de eerste verdieping van de woning en heeft haar eigen woonvoorzieningen. De ex-partner woont op de tweede verdieping van de woning en heeft ook zijn eigen woonvoorzieningen. De twee verdiepingen zijn van elkaar afgesloten ruimtes en ook de financiën zijn na de scheiding volledig van elkaar geschieden. Eiseres meent dan ook dat sprake is van een zakelijke relatie en vindt dat de uitzondering van artikel 3, tweede lid, onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. Subsidiair stelt eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De ex-partner betaalt al maanden geen alimentatie, eiseres heeft veel schulden en verdient niet genoeg om rond te komen. Zij ervaart stress en heeft lichamelijke klachten. Het bestreden besluit heeft enorme gevolgen voor haar en verweerder heeft de belangen van de kinderen onvoldoende meegewogen. Meer subsidiair stelt eiseres dat de terugvordering van de zorgtoeslag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tot slot doet eiseres een beroep op de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat de ex-partner met ingang van 1 april 2021 de toeslagpartner is van eiseres, omdat zij vanaf die datum op hetzelfde adres in de Brp staan ingeschreven en zij samen kinderen hebben. Volgens verweerder zijn er geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de terugvordering van de zorgtoeslag geheel of gedeeltelijk te matigen.
Verweerder heeft zich in het verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat de herziene voorschotbeschikking zorgtoeslag 2021 van 23 juli 2021 niet op de juiste wijze is verwerkt, waardoor het bezwaar van eiseres ten onrechte ongegrond is verklaard. Verweerder verzoekt de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren met instandhouding van de rechtsgevolgen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt vast dat met de definitieve berekeningen van 30 januari 2023
het recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget van eiseres voor 2021 verhoogd is vastgesteld op respectievelijk € 395 en € 3.254 en dat aan eiseres een bedrag van € 75 aan zorgtoeslag en een bedrag van € 185 aan kindgebonden budget is nabetaald. Dit heeft tot gevolg dat voor het jaar 2021 de terugvordering van de zorgtoeslag van € 420 is herzien naar een lager bedrag. De besluiten van 30 januari 2023 houden dus een wijziging in van het bestreden besluit, in die zin dat de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2021 zijn verhoogd. De besluiten van 30 januari 2023 zijn daarmee aan te merken als besluiten als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat het beroep van eiseres mede wordt geacht te zijn gericht tegen die besluiten. Nu niet is gesteld of gebleken dat eiseres nog belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, zal de rechtbank het beroep, voor zover gericht tegen dat besluit, niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank zal hierna beoordelen of verweerder de zorgtoeslag en het kindgebonden budget terecht definitief heeft berekend op respectievelijk € 395 en € 3.254.
6. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir, wordt onder (toeslag)partners mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de Brp als de belanghebbende en uit wiens relatie met de belanghebbende een kind is geboren. Op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awir wordt onder (toeslag)partners mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de Brp als de belanghebbende en die samen met de belanghebbende een woning in eigendom heeft. Omdat eiseres per
3 maart 2021 op hetzelfde woonadres staat ingeschreven in de Brp als haar ex-partner en uit hun relatie destijds twee kinderen zijn geboren, zijn eiseres en haar ex-partner op grond van
artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir, met ingang van 1 april 2021 elkaars toeslagpartner. Verder is niet in geschil dat eiseres en de ex-partner de woning in gezamenlijke eigendom hebben, zodat ook in zoverre sprake is van toeslagpartnerschap op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awir. Dat eiseres en de ex-partner zijn gescheiden, geen contact en ook geen financiële relatie meer met elkaar hebben, is voor de beoordeling van het toeslagpartnerschap niet relevant en maakt het voorgaande niet anders. Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awir, is voorts niet relevant of de toeslagpartners op het woonadres beiden een zelfstandige woonruimte bewonen. De rechtbank verwijst voor de onderbouwing van dat oordeel naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van
28 februari 2018 en 8 september 2021. De stelling dat eiseres zelfstandig op het adres woont kan haar dus niet baten. Verder is niet gebleken dat er een schriftelijke huurovereenkomst is gesloten tussen eiseres en de ex-partner, waardoor niet wordt voldaan aan de uitzondering als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder d, van de Awir. Het gevolg van het voorgaande is dat voor de toepassing van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget de ex-partner met ingang van 1 april 2021 als toeslagpartner dient te worden aangemerkt waardoor zijn inkomen dus meetelt bij het berekenen van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget.
7. Eiseres heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir.
Zoals verweerder heeft toegelicht, gaat het hier om een bevoegdheid van de minister van Financiën. Verweerder heeft het verzoek daarom terecht aan het Ministerie van Financiën doorgestuurd. Het beroep van eiseres op de hardheidsclausule kan daarom in deze procedure niet tot een andere uitkomst leiden. Gelet hierop heeft de rechtbank het verzoek om aanhouding afgewezen.
8. Uit het voorgaande volgt dat eiseres een te hoog bedrag aan voorschot zorgtoeslag heeft ontvangen. Op grond van artikel 26, tweede lid, van de Awir is het uitgangspunt dat verweerder het volledige bedrag terugvordert. Verweerder kan van volledige terugvordering afzien, indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn ten opzichte van de met die terugvordering te dienen doelen. Verweerder moet bij het besluit tot terugvordering op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afwegen. In het verweerschrift heeft verweerder toegelicht dat een toeslag een financiële tegemoetkoming is van het Rijk waarop alleen aanspraak kan worden gemaakt als wordt voldaan aan de daartoe in wet- en regelgeving gestelde voorwaarden. Hierbij past dat op grond van de systematiek van de Awir voorafgaand aan de definitieve berekening het bedrag van het voorschot zoveel mogelijk wordt afgestemd op het bedrag waarop de definitieve berekening vermoedelijk zal worden vastgesteld.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de besluiten van 31 januari 2023,
ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.271;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 50 aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2018:664.
ECLI:NL:RVS:2021:2004.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3536.