Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-07-06
ECLI:NL:RBDHA:2023:9568
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,167 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/6019
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2023 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], [provincie], Australië, eiseres
en
de minister van buitenlandse zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. M.S. Krikhaar).
Procesverloop
Met het besluit van 24 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen.
Met het besluit van 3 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiseres heeft verzocht zonder zitting uitspraak te doen. Verweerder heeft daarmee ingestemd. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Waar gaat deze zaak over?
1. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder mocht weigeren eiseres een Nederlands paspoort te verstrekken, omdat zij het Nederlanderschap op 9 december 1994 zou hebben verloren.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Eiseres is op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats], Australië, geboren. Haar ouders hadden toen de Nederlandse nationaliteit, waardoor eiseres de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Doordat zij op het grondgebied van Australië is geboren verkreeg eiseres ook de Australische nationaliteit.
Eiseres werd op [geboortedag] 2004 meerderjarig. Zij heeft op 4 oktober 2019 een Nederlands paspoort aangevraagd. Verweerder neemt deze aanvraag niet in behandeling, omdat eiseres het Nederlanderschap heeft verloren op 9 december 1994. Op deze datum hebben haar ouders vrijwillig de Australische nationaliteit door naturalisatie verkregen waardoor zij het Nederlanderschap van rechtswege verloren. Eiseres, die toen al de Australische nationaliteit bezat, deelde van rechtswege in het verlies van het Nederlanderschap.
Het verlies van het Nederlanderschap op 9 december 1994 bracht voor eiseres tevens het verlies van het Unieburgerschap mee. Verweerder heeft de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND) om advies gevraagd over de vraag of het verlies van het Nederlanderschap op de peildatum 9 december 1994 voor eiseres onevenredig was uit oogpunt van de uitoefening van de aan het Unieburgerschap verbonden rechten.
Op basis van het door de IND op 7 juni 2022 uitgebrachte advies vindt verweerder het verlies van het Nederlanderschap voor eiseres niet onevenredig uit oogpunt van uit het Unierecht voortvloeiende rechten.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt dat, nu zij het Nederlanderschap is verloren omdat haar moeder op 9 december 1994 vrijwillig de Australische nationaliteit heeft aangenomen, relevant is of haar moeder zou voldoen aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets. Haar moeder kan namelijk wel aantonen dat het verlies van het Nederlanderschap op de peildatum 9 december 1994 voor haar onevenredig is uit oogpunt van uit het Unierecht voortvloeiende rechten.
Weliswaar stelt verweerder dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets een individuele toets is en dat deze voor haar moeder pas wordt verricht als haar moeder zelf een Nederlands paspoort aanvraagt, maar het is voor eiseres onevenredig belastend om, nu deze zaak al drie jaar loopt, opnieuw te beginnen met het aanvragen van een Nederlands paspoort door haar moeder. En indien haar moeder erin zou slagen door middel van die evenredigheidstoets het Nederlanderschap te herkrijgen, zou eiseres zelf ook weer een nieuwe aanvraag moeten doen op basis van het huidige artikel 6, eerste lid, aanhef en onder p, van de RWN, waardoor de procedure nog langer zou gaan duren.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4.1.
Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat eiseres, door het verlies van het Nederlanderschap door haar ouders op 9 december 1994, in beginsel ook haar Nederlanderschap heeft verloren op die datum.
Het Europees Hof van Justitie oordeelde in het Tjebbes-arrest dat het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege, waarmee ook het Unieburgerschap verloren gaat, niet principieel in strijd is met het Unierecht, maar dat het wel mogelijk moet zijn achteraf de evenredigheid van het verlies te toetsen in het licht van de uit het Unierecht voortvloeiende rechten. Het Hof overwoog onder meer dat met name relevant kan zijn het feit dat de betrokkene door het verlies van rechtswege zou worden geconfronteerd met beperkingen in de uitoefening van zijn recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, wat in voorkomend geval leidt tot bijzondere moeilijkheden om zich naar Nederland of een andere lidstaat te begeven om daar zijn beroepsactiviteiten te verrichten. Een ander aspect dat het Hof van belang achtte zijn de door het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde rechten, waaronder het in artikel 7 van het Handvest erkende recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en het in artikel 24 van het Handvest erkende belang van het kind.
De hoogste bestuursrechter heeft beslist dat het peilmoment waarop dient te worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel het moment van het verlies van het Nederlanderschap is. Daarbij dienen ook de gevolgen te worden betrokken die op dat moment redelijkerwijs voorzienbaar waren. Voor eiseres geldt dat zij op het moment van het verlies van het Nederlanderschap 8 jaar oud was.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het advies van de IND mocht volgen en op basis van dit advies terecht heeft geoordeeld dat eiseres rond de peildatum geen gebruik maakte van haar Unierechten of voorzienbaar was dat zij daarvan gebruik zou gaan maken. Het Advies van de IND is zorgvuldig tot stand gekomen – na correctie van de peildatum is een nieuw advies uitgebracht – en de IND is op alle door eiseres aangevoerde aspecten uitvoerig in gegaan.
4.3.
Verder stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de Unierechtelijke evenredigheidstoets een individuele toets is. Verweerder hoeft dan ook in het kader van een paspoortaanvraag door eiseres niet te beoordelen of het verlies van het Nederlanderschap voor haar moeder onevenredig is uit oogpunt van uit het Unierecht voorvloeiende rechten. Nu de moeder van eiseres zelf geen paspoortaanvraag heeft gedaan, kon verweerder niet een evenredigheidstoets ten aanzien van de moeder van eiseres verrichten en (mede) aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.
Eiseres kan worden gevolgd in haar standpunt dat de onderhavige procedure lang heeft geduurd, maar dat betekent niet dat verweerder verplicht is in het kader van een paspoortaanvraag door eiseres te beoordelen of aan haar moeder een paspoort zou zijn verstrekt indien zij die zou hebben aangevraagd.
Conclusie
4.4.
Het beroep is ongegrond.
4.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zoals die luidde tot 1 april 2003, in samenhang met artikel 15, aanhef en onder a, van de RWN, zoals die luidde tot 1 april 2003.
Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 maart 2019 C-221/17
(ECLI:EU:C:2019:189; het Tjebbes-arrest) en de uitspraak van de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2020
(ECLI:NL:RVS:2020:423).
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423