Rechtspraak
Rechtbank Den Haag
2023-06-23
ECLI:NL:RBDHA:2023:9332
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,591 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.11294
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], eiser
V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. J. van Raak).
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL23.11295, op 8 juni 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P. Oronsaye. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1996 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Op 1 januari 2023 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser eerder in Duitsland een verzoek om internationale bescherming had ingediend. Verweerder heeft Duitsland daarom verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Op 5 januari 2023 hebben de Duitse autoriteiten dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat hij risico loopt te worden uitgezet naar Sierra Leone en daar terecht zal komen in een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie vanwege zijn geaardheid. Het nieuwe asielverzoek van eiser zal gelet op de eerdere procedure door de Duitse autoriteiten worden aangemerkt als een opvolgende aanvraag en zal beoordeeld moeten worden of het door eiser overgelegde nieuwsbericht omtrent zijn ontdekte geaardheid moet worden aangemerkt als een nieuw element. Eiser meent dat gelet op de datum van het nieuwsbericht, namelijk 6 januari 2014, de Duitse autoriteiten artikel 40, vierde lid, van de Procedurerichtlijn aan hem zullen tegenwerpen. Verweerder dient zich er dan ook van te vergewissen dat eiser hierdoor geen risico loopt op (indirect) refoulement bij een overdracht aan Duitsland. Verweerder heeft het risico op (indirect) refoulement niet afdoende meegewogen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vaststaat dat Duitsland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat daar in zijn geval niet van kan worden uitgegaan. Hiervoor geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.Eiser is hierin niet geslaagd.
5. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen op basis waarvan niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gelet op het claimakkoord zal eiser in Duitsland in staat worden gesteld een opvolgende asielaanvraag in te dienen en is gegarandeerd dat deze aanvraag in overeenstemming met de Europese asielrichtlijnen zal worden behandeld. Dat de aanvraag niet-ontvankelijk zal worden verklaard, berust op een aanname van eiser. Een opvolgende aanvraag kan immers ook inhoudelijk worden behandeld door de Duitse autoriteiten. Bovendien is niet in geschil dat tegen een eventuele afwijzing van de opvolgende aanvraag in Duitsland beroep kan worden aangetekend bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem niet mogelijk is om, eventueel met hulp van derden, van dit rechtsmiddel gebruik te maken. Bovendien kan eiser de genoemde asielmotieven ook naar voren brengen bij de Duitse autoriteiten.
6. Eiser heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat bij overdracht aan Duitsland sprake is van een reëel risico op indirect refoulement. Wat eiser heeft aangevoerd laat onverlet dat ook in Duitsland een individuele beoordeling plaatsvindt met inbegrip van het eventuele risico van refoulement. Daarnaast heeft eiser niet voldaan aan de bewijslast zoals geformuleerd door de Afdeling in haar uitspraken van 6 juli 2022, nu eiser niet heeft gesteld of aannemelijk gemaakt dat sprake is van een evident en fundamenteel verschil in beschermingsbeleid tussen Nederland en Duitsland. Daarnaast heeft eiser ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat niet alleen het bestuursorgaan, maar ook de rechter in Duitsland hem niet zal beschermen tegen refoulement.
7. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan zijn discretionaire bevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Verordening (EU) Nr. 604/2013.
Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
Zie hiervoor het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218).
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RVS:2022:1862 en ECLI:NL:RVS:2022:1864.